Potosí

Dag 14: Op grote hoogte de diepte in
Vrijdag 20 september 2013

Om klokslag 8 uur zaten we met z’n allen in de bus om onze reis te vervolgen naar Potosí, op 4070 meter naar men zeggen de hoogste stad van de wereld. Een stad die vanwege zijn historie ondertussen op de Werelderfgoedlijst van UNESCO is gezet. Met de slaap nog enigszins in onze ogen gingen we op weg. Het blijft onvoorstelbaar hoe divers het landschap hier is. Elke uur rijd je wel weer door een volledig ander landschap heen, iets dat prachtig blijft om te zien. Ook het duinachtige landschap waar we vanochtend doorheen reden, gepaard met elementen van een rotsachtige canyon, was verbluffend mooi. De rit duurde gelukkig niet al te lang en na iets meer dan vier uur bereikten we Potosí. Het was met de grote truck nog wel even passen en meten om ons door de smalle en heuvelachtige straatjes naar het hotel te krijgen. We hadden respect voor onze chauffeur.

Omdat we alleen maar deze middag in Potosí hadden, kregen we de keus om het stadje (met enkele mooie gebouwen, kathedralen en een geldmuseum) te bezoeken, of om een tour te doen naar een mijn in de Cerro Rico, een grote berg waarin al eeuwenlang zilver wordt gewonnen. Ik koos voor deze laatste optie. Samen met zes anderen van onze groep, en de zes personen van de andere Shoestring-groep, werden we door twee vrolijke gidsen, ex-mijnwerkers, met een busje opgehaald. We begonnen de tour bij de mijnwerkersmarkt, waar vele spullen voor mijnwerkers te verkrijgen waren. Hier werd ons gevraagd om  een fles vruchtensap en een zakje cocabladeren mee te nemen voor mijnwerkers die we in de mijn zouden tegenkomen. De mijn die we zouden betreden was namelijk nog actief en de mijnwerkers waardeerden het erg als je een cadeautje voor hen meebracht. Daarnaast konden ze dat vanwege hun eigen magere loon erg goed gebruiken. Cocabladeren, inderdaad de bladeren die gebruikt worden voor zowel Coca-Cola als cocaïne, zijn in Bolivia, en met name bij mijnwerkers, zeer geliefd. Men maakt een hele prop van blaadjes en stopt die in één wang. Af en toe wordt er een beetje op gekauwd om de smaak door de mond te laten lopen. Ook wij konden dit proberen en het smaakte inderdaad niet verkeerd. Vooral in de droge en stoffige mijn was dit een fijne manier om speeksel te produceren en een fijne smaak in de mond te hebben. Na de markt werden we naar een klein fabriekje geleid, waar we konden zien hoe de uitgehakte rotsen met stukjes zilver met grote machines verder werden vermalen en het zilver geëxtraheerd werd.

Bij een klein gebouwtje kregen we een jasje, een broek en laarzen, om onze eigen kleding in de vieze mijn schoon te houden. Met het busje reden we vervolgens de berg op, waarvandaan we nog even konden genieten van een mooi, fris en helder overzicht over de stad Potosí. Vanaf dat moment zou alles alleen maar donker worden. De hoofdlampen die op onze helmen zaten gingen aan en we betraden de eeuwenoude mijn. De tunnel waar we doorheen liepen was aan alle kanten redelijk mooi afgewerkt en gestut met stenen. Qua hoogte konden we er ook nog gewoon doorheen lopen. Op de grond lag een eenvoudige rails, die gebruikt wordt om mijnkarretjes met gevonden mineralen naar buiten te loodsen. Aan de zijkanten liepen buizen om frisse lucht naar binnen te persen. Het duurde niet lang voordat de omstandigheden minder fijn werden. De gangen werden stukken smaller en lager, waardoor we geregeld moesten bukken. We waren blij dat we een helm hadden. Op de grond lagen plasjes water en poeltjes met modder, waardoor we het nut van de laarzen ook goed in zagen. Hier en daar kwamen we zijgangetjes tegen, welke dieper de mijn in gingen. De mijnwerkers hier schijnen de lay-out van de mijn min of meer uit hun hoofd te kennen, zodat ze altijd weten waar ze heen kunnen graven, of welke stukken ze kunnen opblazen met dynamiet, zonder delen van de mijn in te laten storten. Elke mijnwerker had zijn eigen plekje om te graven of boren en alleen hij kon profiteren van het zilver dat hij op zijn plekje aantrof. Het was makkelijk om een baan te krijgen in de mijn en iedereen mocht zelf zijn uren bepalen. Je wordt namelijk betaald naar de hoeveelheid zilver die je vindt. Dieper en dieper gingen we de mijn in. Soms moesten we even opzij voor een karretje dat voorbij kwam rijden en mijnwerkers die we tegenkwamen waren ons dankbaar voor de geschenken. Hoe dieper we kwamen, hoe muffiger, stoffiger en viezer de mijn werd. De geuren die we roken, konden niet echt gezond zijn. Ook moesten we hier en daar oppassen om de muren niet aan te raken, aangezien er giftig arsenicum in zat. Hoe dieper we de mijn in liepen, hoe warmer het werd. Alhoewel een korte blootstelling aan deze stoffen voor toeristen geen blijvende schade oplevert, is de levensverwachting van mijnwerkers niet al te hoog. Toch schijnen de meesten blij en trots te zijn met hun baan. Bij één stukje klommen we even omhoog, zodat we door een enorme lading stof konden zien hoe enkele mijnwerkers aan het drillen waren. Na een lange wandeling keerden we weer langzaam om. De gidsen bleven ons interessante verhalen vertellen over het leven in de mijn. Ook werd er een klein offer van cocabladeren en alcohol gebracht aan een beeld van de god Tio, die de mijnwerkers zou moeten beschermen in deze duivelse omgeving. Op de terugweg moesten we nog even opzij voor een mijnwagen vol met rotzooi, die men ergens uitlaadde zodat men dit later de mijn uit zou kunnen takelen. Na een tijdje lopen en bukken werd de temperatuur weer iets lager, de lucht weer iets frisser en het zicht weer iets helderder. We zagen het licht aan het einde van de tunnel; onze tour door de mijn zat erop. Het was al met al een zeer bijzondere ervaring die we in ons leven nooit meer zullen vergeten. We hadden diep respect voor de mannen die jarenlang vele uren per dag  in de mijnen doorbrachten.

In de avond liepen we het stadje een klein beetje door en zagen we hoe op het grote plein met de kathedraal een podium was neergezet waarop jongeren dans-acts opvoerden. Het restaurant dat we zochten, bleek niet meer te bestaan, maar we vonden een alternatief waar we goed konden eten. De maaltijden hier waren echter wel reusachtig groot, waardoor we de ober bijna moesten verontschuldigen dat we nog maar net een derde van ons bord hadden opgemaakt. Twee jongetjes die in het restaurant muziek kwamen maken met een trommel en een panfluit, beloonden we met een paar bolivianos. Terug bij het hotel was het meteen bedtijd, want het zou helaas maar een kort nachtje worden.

Reacties

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!