IJsland

IJsland, het land van vuur en ijs. Een land ontstaan door vulkanen, een land gevormd door vulkaanuitbarstingen, aardverschuivingen en overstromingen, een land gespleten door het Amerikaanse en het Euraziatische continent, een land zonder levende wezens tot de komst van de ontdekkingsreizigers, een land met een natuurschoon waar je U tegen zegt, een land vele malen groter dan Nederland, maar een land met nog minder inwoners dan Den Haag. IJsland was het land dat ik in september 2016 voor 14 dagen bezocht. Na een zeer goed bevallen reis naar Jordanië eerder dit jaar had ik voor een reis naar IJsland opnieuw gekozen voor de organisatie Sawadee. Met 19 andere mensen stapte ik op 4 september het vliegtuig in naar Reykjavik, waarvandaan tot en met 17 september een prachtig avontuur volgde. Lange tijd stond IJsland al op mijn lijstje, en deze keer was het dan eindelijk tijd om een bezoek te brengen aan dit bijzondere eiland, dat slechts op drie uur vliegen van Nederland ligt. De paar dagen voor vertrek stond IJsland in de media groots in het nieuws vanwege de verhoogde activiteit van de vulkaan Katla. Deze stond namelijk op het punt om uit te barsten, aangezien deze al vele jaren over tijd was en er enkele aardbevingen in de buurt waren geweest die de herinneringen aan de vulkaan Eyjafjallajökull -probeer dat maar eens correct uit te spreken- weer helemaal terugbrachten, waarbij het Europese vliegverkeer voor zes dagen helemaal plat lag. De uitbarsting bij de Europese persbureaus was echter een stuk groter, want in IJsland keek men al niet meer om voor dit soort meldingen. Gelukkig was er voor ons niets aan de hand, dus konden we onbezorgd de route volgen die van tevoren was gepland. Deze route begon in Reykjavik en volgde de ringweg N1 tegen de klok in, waarbij er tussendoor enkele stops waren ingepland en enkele zijsporen werden betreden.

De groep bestond uit 20 personen en iedereen kon het goed met elkaar vinden. Het was dus erg gezellig met Anton, Roxanne, Anke, Yvonne, Edwin, Deborah, Anneloes, Caroline, Sjaan, Yoni, Renata, Albert, Priscilla, Maaike, Frédérique, Sandra, Mathilde, Dominique en Lydia. We reisden rond in een middelgrote bus met daarachter een aanhangwagen voor onze bagage. Ondanks dat de bus niet al te ruim was, waren de busritten op zich te doen, mede door het feit dat de reisafstanden niet al te groot waren (op de laatste paar dagen na). We werden gedurende onze reis bijgestaan door leider Larus, een vriendelijke man van iets over de 60 die met zijn grijze baard zo een tweede baan zou kunnen krijgen als kerstman (waarvan er overigens 13 verschillende zijn in IJsland). Hij was een rasechte IJslander, had op vele locaties gewoond en wist over heel veel zaken het een en ander te vertellen. Hij noemde zichzelf dan ook een leider, geen gids, want die weten over heel veel zaken iets, maar over geen enkel onderwerp alles tot in de kleinste details. Larus was een rustige man, maar met gevatte en soms gortdroge humor (“I don’t like Radiohead”, nadat de autoradio bijna op zijn hoofd was komen vallen) wist hij ons het grootste deel van de reis uitstekend te leiden. Tot onze teleurstelling was hij (letterlijk) gevlogen op de 10e dag, waarna een andere gids met chauffeur werden ingevlogen. Deze gids Eymundur was helaas zeer teleurstellend en kinderachtig, en niemand kon hem op prijs stellen. We waren blij dat Larus ons wel zo geweldig heeft geleid en de laatste dagen qua programma voornamelijk bestond uit reizen. Bij elke wandeltocht liep Larus met een grote glimlach voorop. Zijn volledige wandeluitrusting bestond uit een water- en winddichte jas en broek, handschoenen, een muts, goede bergschoenen en wandelstokken. Een goede uitrusting is echt het belangrijkste om aan te denken als je naar IJsland gaat, want de weersomstandigheden variëren enorm. Het kan daardoor ’s ochtends warm en zonnig zijn, maar later op de dag ook bar en boos. Zo hebben we op verschillende momenten heerlijk in het warme zonnetje kunnen lopen, maar hebben we de capuchons ook vaak genoeg op gehad. Dat alles waterdicht moet zijn is een pre, want als het waait en regent, dan doet dat het goed ook. En Larus liet zich niet zomaar tegenhouden bij ‘horizontale regen’ tijdens wandelingen over lavavelden. Goede wandelschoenen bleken ook cruciaal te zijn, of anders dan wel de ducttape om ze indien nodig bij elkaar te houden. September bleek een perfecte periode te zijn om naar IJsland af te reizen. De grootste drukte van toeristen is dan net voorbij, maar het weer is over het algemeen nog steeds redelijk. Bij ons was het aantal uren dat het droog was en het regende vrijwel in balans. De temperatuur was redelijk consistent met 11 graden Celsius. De omgevingen in september lieten nog steeds hun groene kleuren zien, maar hier en daar konden we al wel genieten van de prachtige bruinrode herfstkleuren.

IJsland is een land met slechts 350.000 inwoners, maar het aantal toeristen dit jaar wordt al geschat op een kleine 2 miljoen, vele malen meer dan in het verleden, voordat IJsland bij het grote publiek bekend raakte. Dit grote aantal toeristen begint een serieus probleem te worden voor het land; er zijn simpelweg niet genoeg faciliteiten om deze enorme capaciteit aan te kunnen. Twee derde van de inwoners woont in of rond Reykjavik, maar toeristen gaan overal heen, dus overal zie je wandelpaden, hekjes, informatieborden, toiletten, guesthouses en hotels tevoorschijn komen. Daarnaast komt het meeste personeel uit het buitenland, omdat de kleine dorpjes van meestal niet meer dan 100 inwoners hun handen al vol hebben aan het hoeden van hun schapen en geiten of met het vangen van vis.

Overal in het land zie je schapen verspreid door het landschap staan (en soms op de weg), hier en daar zie je boerderijen met mooie IJslandse paarden en vele dorpjes beschikken over een haventje om dagelijks verse vis binnen te halen. Het verklaart meteen waarom elk restaurant in IJsland vis prominent op de kaart heeft staan en de ‘vis van de dag’ bij velen van ons een geliefde keuze was voor het avondmaal. Net als in Nederland wordt er hier vaak gedineerd met aardappels en groenten, maar dan net wat vaker met vis dan met vlees (waarvan lam dan het meest populair is). Uiteraard heb ik ook veel verschillende soorten vis geprobeerd: kabeljauw, forel, schelvis, meerval en zeewolf. En daarnaast ook nog eens vissoepje, fish en chips, gedroogde vis, en een hapje van gefermenteerde haai, een lokale delicatesse waarbij de haai eerst enkele maanden onder de grond wordt gelegd om te rotten zodat de giftige afvalstoffen kunnen verdwijnen, waarna deze met een stinkende ammoniakgeur in kleine blokjes op een bordje wordt geserveerd. Hierbij geldt: niet ruiken, maar meteen eten en wegdrinken met een slokje brandewijn. Wat ook geldt in IJsland: gewoon betalen met je pinpas en niet teveel kijken naar je banksaldo, want alhoewel je het na de financiële crisis in 2008 niet zou verwachten, waren alle prijzen ontzettend hoog, hoger dan in Nederland. Dineren voor onder de 30 euro kwam nauwelijks voor. Ook voor de soep met brood die we vaak bij een wegrestaurantje nuttigden, waren we al gauw 11 euro kwijt. Gelukkig waren deze verschillende soepjes wel erg lekker, zodat we vervolgens weer even vooruit konden! Het ontbijt was bij onze reis inbegrepen en aten we elke ochtend in ons hotel of guesthouse.

Slechts op twee locaties hadden we een hotel en daar waren we allemaal erg blij mee. Bijna overal hebben we namelijk in een guesthouse overnacht, en dat was een ervaring die zoveel leuker was dan het verblijven in een hotel. Soms hadden we een huis voor de gehele groep, waarbij er 1, 2 of 3 personen bij elkaar op de kamer sliepen, en soms waren we verspreid over twee of drie verschillende huisjes. Ondanks dat we hierdoor in de ochtend soms op elkaar moesten wachten bij de badkamer, zorgde het wel voor een veel gezelligere sfeer in de groep vanwege de aanwezigheid van een woonkamer met banken en stoelen (en soms een tv), kasten met spelletjes (alhoewel Trivial Pursuit in het IJslands best lastig is), een keuken waarin eventueel gekookt kon worden, en draadloos internet zodat men elkaar YouTube-filmpjes kon laten zien of elkaar kon uitdagen met Wordfeud. Afgezien van een guesthouse dat nog half in aanbouw was, zag alles er perfect uit. Daarnaast waren de locaties ook hartstikke mooi. Zo zaten we op een boerderij in de middle of nowhere, met uitzicht op weilanden met paarden die bij zonsondergang voorbij kwamen rennen, vulkaan Hekla onheilspellend afwachtend op de achtergrond (we zouden twee uur de tijd hebben voor een eventuele evacuatie). Ook zaten we op een boerderij met een gekke geit. Als een gehoorzame en kwispelende hond rende het beest achter ons aan en wilde hij voortdurend geknuffeld worden (zolang hij niet was afgeleid door het smakelijke gras). Ook volgde hij ons overal, zelfs toen we de omheining uit liepen -hij had ergens een gat gevonden- en het kleine kerkje daar bezochten; we wisten hem er net op tijd uit te trekken. Op twee andere locaties zaten we aan de rand van het dorpje (ondanks dat je elk dorpje sowieso binnen vijf minuten kon uitlopen), zodat we in staat waren om in de avond naar de lucht te staren. In de herfst- en wintermaanden (te beginnen in september) bestond er namelijk een goede kans om het noorderlicht te zien, onder voorwaarde dat het een onbewolkte avond zou zijn en er enige activiteit was in de atmosfeer. En we hebben het geluk gehad om dit prachtige schouwspel twee keer te kunnen bewonderen. Elektromagnetische deeltjes van de zon komen in contact met onze atmosfeer waardoor er een gloed in de lucht verschijnt. De deeltjes dansen heen en weer, wat ervoor zorgt dat deze aurora borealis nooit stilstaat en er op foto’s vaak een golvende beweging te zien is. Het is ontzettend mooi om te zien, maar bedenk wel dat je van een koude kermis thuis kunt komen (en dan heb ik het niet over de kou buiten) als je altijd groenblauwe golven in de lucht verwacht zoals op vele foto’s. Ja, alhoewel dit bij een hele sterke activiteit wel degelijk zo schijnt te kunnen zijn, wordt dit effect voornamelijk veroorzaakt door fotocamera’s die het licht proberen op te vangen. We hebben wel degelijk een groene gloed gezien zo nu en dan, maar bovenal zagen we veel grijs. Om overigens goede foto’s te maken is een statief vereist, want een camera voor 30 seconden stilhouden in de kou is een onmogelijke taak.

Bij het zien van het noorderlicht draaiden al onze fototoestellen overuren, maar ook buiten die momenten om kregen onze camera’s het zwaar te verduren. Continu moesten ze weer hard aan het werk om al het prachtige natuurschoon om ons heen vast te leggen. De ene mooie locatie waren we nog niet voorbij en de andere stond al te springen om ons te verrassen. De geisers in het Thingvellir National Park waren daar een perfect voorbeeld van. Alhoewel de grote Geysir slechts eens in de paar maanden zijn opgeborrelde water omhoog spuit, doet de daarnaast gelegen Strokkur dat pakweg elke vijf minuten. Zonder aankondiging worden vele liters water plotseling meters de lucht in geschoten. Uiteraard was het noodzakelijk om op een afstandje te blijven, want dit water was behoorlijk aan de hete kant! Ook op andere plekken rond de geiser waren verschillende poeltjes met borrelend water te zien en uit diverse openingen in het landschap kwamen wolken van hete stoom. De aanwezigheid van deze geisers is te verklaren door de vulkanische activiteit in het land. IJsland staat vol met vulkanen, welke hebben gezorgd voor het landschap dat IJsland nu heeft. Op vele plekken vind je daarom warmwaterbronnen waar je het water niet wilt aanraken, behalve in de daarvoor aangelegde thermale baden. Deze bronnen zie je van verre al aankomen vanwege de grote wolken witte stoom. Bevind je je dichtbij, dan ruik je deze overduidelijk vanwege de zwavelgeur. IJsland is eigenlijk één grote vulkanische vlakte. Overal waar je maar bent zie je wel actieve of slapende vulkanen, en anders zie je wel restanten van kraters waar vroeger enorme uitbarstingen zijn geweest. En als je geen kraters ziet, dan zie je wel enorme vlaktes met gestolde lava. Tot aan de horizon kunnen deze vlaktes reiken, bestaande uit een onregelmatige structuur en begroeid met allerlei verschillende soorten groene mos en kleine witte, gele en soms rode paddenstoeltjes. Het duurde daarom dan ook niet lang voordat we met een clubje ‘The Mushroom Hunters’ werden genoemd!

Daarnaast bevat IJsland ook de nodige hoeveelheid bergen en heuvels. Wat hierbij meteen opvalt is het gebrek aan bomen. Gedurende de gehele reis hebben we maar een select aantal plaatsen bezocht waar zich bomen bevonden; op de meeste plekken bestond de vegetatie slechts uit mos, gras en struikjes, als het überhaupt aanwezig was. Landmannalaugar was zo’n plek waar we prachtig konden wandelen door de bergen. Voortdurend keken we hier uit over de kleurrijke omgeving. Het grootste voorbeeld van oude kraters en lavavlaktes bevond zich bij Laki, waar we met twee reusachtige 4WD’s over de hobbelige en slingerende (deels onverharde) wegen reden. Om ons heen zagen we alleen maar een desolaat landschap. Het was daarom ook niet vreemd om te horen dat NASA op IJsland meerdere malen heeft geoefend met hun apparatuur. Deels door de regen, deels door harde wind, maar later ook deels door een zwak zonnetje liepen we over rotsachtige paden tussen kraters en kloven. In enkele diepe gaten konden we nog ijs spotten. Ook tv-series hebben IJsland ontdekt, waarvan Game of Thrones het meest recente voorbeeld is. En als je zo over alle bergen van IJsland loopt zie je inderdaad een hoop vergelijkbare omgevingen terug. Ook in Mývatn in het noorden hebben we regenachtige maar mooie wandelingen gemaakt door de omgeving. We kwamen langs het meer, keken uit naar een grijs-zwart landschap van gestolde lava en zagen hier en daar nog poeltjes die aan het borrelen waren. Enkele openingen in de rotsen zouden hier ook prima dienst kunnen doen als pizza-ovens, zo heet waren ze.

Vulkanen en de bergen daaromheen domineerden het landschap. Er zijn echter plekken tussen die bergen waar de zon maar nauwelijks schijnt, en aangezien het in IJsland nooit echt warmer wordt dan 15 graden (maar de temperatuur in de winter vanwege de korte dagen wel vaak rond of onder de 0 hangt), zijn daar nu grote gletsjers te vinden. Vatnajökull is daar de grootste van, en met een grote witte vlek neemt deze een enorm deel van de landkaart van het land in beslag. Door zowel de opwarming van de aarde als de vulkanische activiteit smelten de gletsjers in het land. Dat is bij Jökulsárlón goed te merken. Dit is het grootste gletsjermeer van IJsland, waarin het smeltwater van de Vatnajökull terecht komt. Het overtollige water mondt via een kanaal direct weer in de Noordelijke IJszee uit. Het is echter niet alleen smeltwater dat in dit meer terecht komt; ook enorme stukken ijs drijven erin rond. En als je hier met een boot (of in ons geval een amfibievoertuig) langs vaart, geeft dat een heel bijzonder aanzicht! Je begrijpt meteen waar IJsland zijn naam aan te danken heeft als grote witte en blauwe stukken ijs met allerlei punten, uitsteeksels of holtes vlak langs je heen gaan. Hoe compacter het ijs was, hoe blauwer het was. Het ijs dat hier ronddreef kon al makkelijk duizenden jaren oud zijn. Wie de Bond-film Die Another Day heeft gezien, kent het meer al, aangezien het er speciaal voor bevroren was om James er met een auto overheen te kunnen laten rijden. Vlakbij het meer kregen we ook te zien wat het smelten van een gletsjer met het landschap kan doen, aangezien er in de jaren ‘90 na een vulkaanuitbarsting een enorme kap was gesmolten en dat dat een allesvernietigende overstroming in die regio had veroorzaakt. Een stuk van een volledig verwoeste brug was hier een blijvende herinnering aan, voor zover het uitgestrekte vlakke landschap dat al niet gaf.

Een intiemere ervaring met het ijs hadden we op de Sólheimajökull, een grote gletsjer waar we een wandeling over hebben gemaakt. Gewapend met een ijsbijl en ijzertjes onder onze schoenen liepen we de gletsjer op. Het wit met blauwe ijs was hier vermengd met de zwarte as van eerdere vulkaanuitbarstingen (de Eyjafjallajökull lag niet ver weg), wat een apart palet van kleuren met zich meebracht. Het lopen op ijzertjes was een vreemde gewaarwording, maar het hielp wel degelijk om niet uit te glijden op dit gladde ijs. En uitglijden wilde je ook zeker niet, want er zaten soms diepe spleten en gaten in het ijs. Dit werd twee keer gedemonstreerd door een stuk ijs naar beneden te laten vallen en een paar seconden later pas de klap te horen. Ook konden we op een groot open stuk zelf naar beneden afdalen, wat een bijzonder avontuur tussen de ijsformaties opleverde.

Gletsjers met ijs leveren naast meertjes ook vele rivieren en kleinere stroompjes water op. En dit zorgt in combinatie met de vele bergen op zijn beurt dan weer voor vele watervallen. Langs de wanden van vele bergen zie je wel stroompjes water naar beneden glijden. Soms resulteert dit echter tot majestueuze watervallen, waarvan we er een behoorlijk aantal hebben gezien. We gingen van waterval naar waterval, de een nog grootser, hoger, breder, langer of mooier dan de ander. Bij de een kon je er bijna onder staan, bij een ander kon je er achterlangs lopen. Bij weer een ander kon je via een pad aan de zijkant omhoog klimmen. De ene waterval liet vele liters water tegelijkertijd van grote hoogte vallen, terwijl een andere dat aantal in tienvoud naar beneden liet bulderen over een enorme breedte. De Gulfoss, Seljalandsfoss, Svartifoss, Dettifoss en Godafoss zijn de namen van de grootste, mooiste en bekendste watervallen die we hebben gezien, maar hier bleef het niet bij. Larus op het moment dat we naar een volgende bestemming reden: “And guess what, we’ll make a stop halfway for yet another waterfall!”. Opmerkelijk aan de Svartifoss waren de rotsen die erachter lagen, aangezien dit zeshoekige basaltpilaren waren. Dit speciale verschijnsel zagen we ook enkele keren bij de kust, waarbij de rotsen en de kliffen zich ook zo gevormd hadden. Bij de kust hadden we telkens een prachtig uitzicht over de zee. Soms ging dit gepaard met een vuurtoren die schepen probeerde te behoeden om door de hoge golven op de klippen te lopen. De strandjes van deze kustplaatsen bestonden overigens uit zwarte ronde platte steentjes. Over stenen gesproken: in een klein dorpje maakten we een korte stop om bij een garagehouder naar zijn stenencollectie te kijken. Vele stenen had hij doormidden gezaagd en gepolijst, waardoor prachtige kleurrijke structuren van mineralen zichtbaar werden.

Naast onze aanwezigheid in de natuur waren we zo af en toe ook te vinden in de bewoonde wereld. Reykjavik was met een inwoneraantal van ongeveer twee derde van de totale bevolking de enige echte grote stad. Met zowel de bus als de benenwagen hebben we de mogelijkheid gehad om de stad te verkennen. De compacte schaal zorgde voor een knusse en gezellige sfeer. Er waren enkele straatjes met leuke winkeltjes, restaurantjes en barretjes, een boulevard langs de baai, een haven met allerlei bootjes, het moderne theater Harpa, een fleurig pleintje met het gemeentehuis, een meertje met zwanen en eenden, en de Hallgrímskirkja, de grote kerk met een erg opvallende architectuur. Alhoewel er verder niet heel veel te beleven viel in de stad, was het prima om hier een dagje te vertoeven (maar niet veel langer, vandaar dat ik met enkele anderen op de laatste dag de omgeving heb verkend met een auto die we hadden gehuurd). Akureyri was een andere stad waar we even de tijd kregen om rond te dwalen, maar hier was behalve de haven, een kerkje en een winkelstraatje niet heel veel te beleven, zodat een hapje en drankje (en het spelen van zogenaamde ‘black stories’) in een bistro een beter alternatief was. En dan waren er ook nog de kleine dorpjes Vík, Húsavík en Saudárkrókur waar we in verbleven, stuk voor stuk met niet al te veel huisjes, maar wel met vrolijk gekleurde huisjes en een haventje. In IJsland valt de kleurkeuze van huisjes en andere gebouwen overigens erg op: vaak is een gebouw wit van kleur, met een specifieke rode tint als dak. Maar ook van felgekleurde huizen is men niet vies. De enige noemenswaardige gebouwen in deze dorpjes waren het enige restaurantje, de enige outdoorwinkel en een museumpje met allemaal spullen die van de zolders van jan en alleman leken te komen.

Al met al blijkt dat er bij het beschrijven van IJsland woorden tekort schieten. Ook de talloze foto’s die ik heb geschoten zullen nooit helemaal tot hun recht komen. Een bezoek brengen aan IJsland is de enige manier om het land volledig te beleven. En wat een belevenis zal het dan gaan worden! Ik ben blij dat ik deze belevenis heb mogen meemaken. IJsland is een uniek land. En in combinatie met een gezellige groep heb ik daarom twee geweldige weken gehad. Mocht je IJsland daarom dan ook op je lijstje hebben staan, zou ik zeggen om je ticket zo snel mogelijk te boeken! Ik ga maar weer alvast aan de slag met het volgende item op mijn lijst! Tot dan!

Foto's staan hier!

Jordanië

Een nieuw jaar, een nieuwe reis, een nieuwe organisatie, een nieuwe bestemming, maar een oude bekende. Welkom terug bij m’n reisverslag, waar ik ditmaal in slechts 1 samenvattend verhaal verslag zal gaan doen van een zeer bijzonder land in het Midden-Oosten. Een land met een paar grote highlights, waaronder een van de zeven nieuwe wereldwonderen. Een land dat na voorgaande bezoekjes aan deze regio (Egypte, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten), hoog op m’n lijstje stond. Een land dat omringd is door allerlei conflicten, maar zelf nog een oase van rust is. Dan heb ik het hier natuurlijk over Jordanië! Na m’n zelfstandige backpackavontuur in Australië deed ik ditmaal weer mee aan een groepsreis, maar dan voor de verandering eens van reisorganisatie Sawadee, omdat zij naar mijn mening een interessantere reis naar Jordanië aanboden dan de verschillende concurrenten.

De reis zat met 19 mensen zo goed als vol, met een erg gevarieerde samenstelling qua leeftijd, geslacht en mensen die samen of alleen reisden. Deze groep bleek gedurende de reis een van de leukste te zijn die ik tot dusver had meegemaakt. Iedereen was hartstikke gezellig, deed met alle activiteiten vrolijk mee, en kletspraatjes met iedereen waren altijd mogelijk. Een grote verrassing voor mij was een oude bekende met wie ik drie jaar geleden in Peru en Bolivia was geweest: Rianne. Het wereldje bleek dus echt heel klein te zijn! Vanwege de grootte van de groep ontstonden er uiteraard wat kleinere groepjes, en was ik blij vaker te kunnen optrekken met ‘De Zeven Dwergen’, zoals wij onszelf noemden; niet zozeer omdat Rianne, Jessie, Anouk, Bram, Jose en Anne-Marie en ik zo klein waren, maar wel omdat we toevallig met z’n zevenen waren. Maar ook Sander, Mora, Jacques, Julien, Claudia, Titia, Karin, Jaap, Wil, Thea, Sylvie en Joeri waren gezellige medereizigers. Een goede reis was ook niet mogelijk geweest zonder onze gids Talal. Met recht was hij de beste gids die ik ooit had meegemaakt. Hij wist alles, maar dan ook echt alles, tot in de kleinste puntjes verzorgen. Hij hield met alles en iedereen rekening, wachtte ons ’s avonds op in hotels om te kijken of we wel terug waren gekomen, deelde elke dag water uit, gaf uitgebreid uitleg over de geschiedenis en de gebruiken van Jordanië (en de regio), en leidde ons naar zorgvuldig uitgekozen restaurants om ons van een heerlijke Jordaanse maaltijd te voorzien.

En dan dat eten: elke dag hebben we ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds heerlijk kunnen eten. Elke maaltijd ging gepaard met dat bekende ronde platte brood. Een broodje met tijm en olie bleek ook verrassend lekker te zijn. Maar bovenal was men helemaal weg van humus en andere sausjes, zoals met aubergine, of yoghurt met komkommer. Diverse frisse salades, met een opvallende hoeveelheid komkommer en tomaat, waren ook erg populair. Rijst was een geliefd onderdeel van het avondmaal, evenals een aardappelschotel met bloemkool. Qua vlees kregen we vrij vaak kip, maar ook troffen we vaak köfte aan op ons bord, altijd heerlijk gegrild. Varken kon natuurlijk niet in dit voornamelijk islamitische land, maar lam daarentegen wel; ook geit wordt hier gegeten, alhoewel we dat zelf nooit echt hebben gekregen. Op marktjes en bij slagerijen in diverse winkelstraten zagen we daarom ook regelmatig gevilde geiten aan vleeshaken in de etalage hangen, soms met, soms zonder kop en staart. Ook hebben we met de bus onderweg regelmatig moeten stoppen om een kudde schapen en geiten over te laten steken, die vaak werden voortgedreven door een simpele herder en zijn zoontje. Qua drankjes kregen we regelmatig mierzoete thee en Arabische koffie aangeboden, soms gepaard met sesamkoekjes. Alcohol wordt hier uiteraard niet tot nauwelijks geschonken, maar dit werd goed gecompenseerd door allerlei fruitmixen, waaronder ‘lemon mint’, dat al gauw werd verheven tot het meest populaire drankje onder vele mensen van de groep: stop citroenen en muntblaadjes in de blender en leng dat aan met water of ijs, en je hebt een heerlijk verfrissend drankje! Onze maaltijden hebben we vaak met de hele groep genuttigd in door Talal uitgekozen restaurants. Dit zorgde ervoor dat we allemaal de verschillende facetten van de lokale keukens konden uitproberen, en dat we achteraf ook niet moeilijk hoefden te doen over de betaling, aangezien Talal twee keer gedurende de reis geld ophaalde voor een gezamenlijke pot. Dat was wel zo handig! Een enkele maaltijd hebben we zelfs bij een lokale familie gegeten. We konden hier met z’n allen in een kring op de grond plaatsnemen en bovenop een rol plastic (om het tapijt niet vies te maken) werden vervolgens allemaal grote schalen met rijst, kip en aardappel neergezet. Daarnaast stonden er schaaltjes met groenten en sausjes. Borden hadden we niet gekregen, een lepel daarentegen wel, zodat we even later met z’n allen zaten te scheppen vanuit alle schalen en bakjes. Erg praktisch, hilarisch en lekker! En terwijl wij met de kinderen speelden en door fotoboeken aan het bladeren waren, ging al het overgebleven eten naar de hele familie die over de verschillende verdiepingen in dat huis woonde.

Talal wist ons bij alle plekken die we aandeden –straks meer daarover–  veel uitleg te geven over het land, de cultuur en de geschiedenis. Uitgebreid kregen we te horen hoe het christendom hier in vrede samengaat met de islam, het geloof waarmee we vijf keer per dag in aanraking kwamen vanwege de gebedsmomenten in de moskeeën. We kregen uitleg over de tradities van het huwelijk, waarbij samengestelde huwelijken nog steeds vaker voorkwamen dan huwelijken uit liefde, maar waarbij alle partijen/families wel uitgebreid overeen probeerden te komen om zo’n huwelijk te voltrekken. Ook kwam aan bod hoe het mogelijk was om als man meerdere vrouwen te hebben. Vrouwen hebben het hier overigens helemaal niet slecht en hebben ook aardig wat rechten. De kwestie met Syrië kwam uiteraard ook aan bod, vooral toen we op een gegeven moment een half uur van de grens verwijderd waren en we diverse vluchtelingenkampen zagen staan. Luchtige onderwerpen waren er ook, waarbij bijvoorbeeld met vrijwilligers uitgebreid werd gedemonstreerd hoe zowel mannen als vrouwen een hoofddoek konden dragen. Bij een zekere plek op onze route kregen we zelfs nog de kans om ons allemaal te verkleden in lokale bedoeïenenkleding, zodat we in stijl op de foto konden gaan. En dan was er nog de rijke historie van het land en de regio, wat heeft geresulteerd in een enorme hoeveelheid historische plekken, welke ook nog eens heel gevarieerd waren. Zo hebben hier altijd al de bedoeïenen gewoond, de nomaden in de woestijn. Maar ook hebben de oude Grieken en Romeinen tijdens de expansie van hun eigen rijk de macht gehad over deze regio, iets dat resulteerde in vele bouwwerken zoals ze bijvoorbeeld ook in Rome te vinden zijn. Kruisvaarders lieten op hun beurt weer vele kastelen achter in het land, en het waren de Nabateeërs die de meest indrukwekkende bouwwerken wisten te maken in rotsen en kloven.

Voor een land dat niet veel groter was dan de Benelux was de variatie aan landschappen enorm gevarieerd. Terwijl we meestal een heerlijk temperatuurtje hadden tussen de 18 en 30 graden, reden we door groene landschappen waar we op zoek konden gaan naar fleurige lentebloemetjes, door hoge gebergtes met een uitzicht vol met grijze rotsen, door dorre geelbruine rotslandschappen met allerlei kloven en valleien en door woestijnen met donkerrode bergen. Hier en daar troffen we lokale dieren aan, zoals gieren en andere vogels, een schuwe vos, imposante dromedarissen, enkele hagedisjes, uit de kluiten gewassen mieren, torretjes en vee in de vorm van schapen, geiten, ezels en kippen. Hier en daar wisten we ook vriendjes te maken met jonge katten en honden, die maar al te graag eten van ons probeerden te bietsen tijdens onze lunch, of juist gezellig met ons mee wilden lopen tijdens een wandeling. Behalve de dieren waren ook de Jordaanse mensen –vaak woonachtig in eenvoudige huisjes– ontzettend vriendelijk. Met recht waren dit stuk voor stuk de meest vrolijke en vriendelijke mensen die ik tot dusver had ontmoet in het Midden-Oosten. Allemaal heetten ze ons enthousiast welkom in Jordanië, waren ze allesbehalve opdringerig (ook verkopers hielden netjes op na een ‘no, thank you’, en lieten ons altijd een grote glimlach of een zwaaiende hand zien. Vooral de jeugd vond het geweldig om ons te zien, en meerdere malen werd om onze namen gevraagd, riepen ze enthousiast naar ons, of wilden ze met ons op de foto. Vooral op toeristische plekken waar grote groepen schoolkinderen aanwezig waren (in ons geval van meisjesscholen), leverde dit vele foto’s en hilarische momenten op. Op deze plekken merkten we tevens hoe treurig de situatie op dit moment was in Jordanië. Ondanks de groepen schoolkinderen die we zo nu en dan zagen, waren er overal maar weinig toeristen te bekennen, ondanks dat april onderdeel uitmaakt van het hoogseizoen. Hotels zaten bij lange na niet vol en ook bij de grootste trekpleisters was de hoeveelheid toeristen bedroevend laag. Voor ons was dit uiteraard enorm gunstig, want zo hadden wij bij Petra bijvoorbeeld bijna het rijk voor ons alleen en kon je je echt een Indiana Jones voelen, maar aan de andere kant is het ook erg sneu als je je bedenkt dat Jordanië voor een groot deel afhankelijk is van het toerisme. En het is dan erg jammer dat de problemen in de buurlanden de stroom aan toeristen doet afnemen, ondanks dat er in Jordanië zelf niets aan de hand is en het ook onwaarschijnlijk is dat dat op korte termijn gaat gebeuren, omdat partijen zoals IS hier niets te halen hebben.

Toeristen hebben in anderhalve week tijd echter de mogelijkheid om heel veel moois te zien. En dat hebben wij dan ook gedaan! Na aankomst op het vliegveld van de hoofdstad Amman reden we meteen door naar het nabijgelegen Madaba. Dit was een klein sfeervol plaatsje waar we voor het eerst kennismaakten met Jordanië. Gemoedelijke straatjes bevatten leuke maar simpele winkeltjes. Hoogtepunt hier was de St George Church, waar er op de grond een heel groot mozaïek lag dat nog in relatief goede staat was. Het zag er prachtig en gedetailleerd uit, en beeldde de kaart van de hele regio uit, met plekken als de Dode Zee, Jeruzalem en Jericho. We kregen hier de vrijheid om verder rond te struinen en in een sky bar met een drankje te genieten van de omgeving. Veel meer van de omgeving zagen we de volgende dag toen we op stap gingen naar Mt Nebo, een hoge berg die net als vele andere plekken hier voorkomt in de bijbel. We konden bovenop enkele mozaïeken en opgravingen bekijken, maar ook uitkijken over Israël en de Dode Zee. Deze zee kregen we even later nog veel beter te zien. De Dode Zee is anders dan alle andere wateren ter wereld, aangezien het zoutgehalte ontzettend hoog is. Met een zoutgehalte van meer dan 30% is het maar liefst tien keer zo zout als andere zeeën. Dit heeft tot gevolg dat er hier niets in kan leven, er geen vaarverkeer mogelijk is, en dat het drijfvermogen vele malen hoger is dan gebruikelijk. En dat zorgde bij ons voor een hele unieke ervaring toen we in onze zwemkleding het water in stapten. Op je buik proberen te zwemmen was zo goed als onmogelijk, omdat je benen continu de lucht in werden gestuwd. Rechtop staan in dieper water was ook niet mogelijk. Maar drijven op je rug was daarentegen een fluitje van een cent! Wondjes kon je maar beter niet hebben en het water kon je ook maar beter niet in je mond krijgen. Na enig gedobber besloten we om ons allemaal in te laten smeren met modder, dat hier extra veel gezonde mineralen bevatte om ons onze lichamen weer als herboren te laten voelen. We moesten dit enige tijd laten opdrogen, waarna we lol maakten over het feit dat we vervolgens begonnen af te brokkelen, om alles daarna in de zee weer af te spoelen. We hopen dat vele anderen na ons dit nog kunnen meemaken, aangezien de Dode Zee jaarlijks vele malen kleiner wordt en er geen toevoer is van nieuw water. Water is in Jordanië overigens ontzettend schaars (het is een van de droogste landen ter wereld) en overal moesten we spaarzaam omgaan.

In de historische stad Jerash kregen we een interessante wandeling over een marktje en langs diverse winkeltjes, en deden we een bezoekje aan een medicijnman die langs de wanden allerlei potten met geneeskrachtige kruiden had staan. Maar de highlight hier was de oude historische Romeinse stad. Vele mensen kennen het Forum Romanum in Rome, maar slechts weinigen weten dat er hier in Jerash een gebied ligt dat vandaag de dag nog grootser en imposanter is dan het equivalent in Italië. Tussen vele schoolkinderen liepen wij over het terrein heen, dat vol stond met overblijfselen van toegangswegen en -poorten, een paardenracecircuit, tempels, markthallen, theaters, kerken, pleinen en badhuizen. Ondanks een enorme aardbeving in het verleden, was verrassend veel nog in relatief goede staat: zuilen en muren stonden nog overeind, inscripties waren hier en daar leesbaar en de theaters zouden zo gebruikt kunnen worden voor hedendaagse voorstellingen. Voor enkele uren keken we hier onze ogen uit en leidde Talal ons langs alle noemenswaardige plekken. Minstens zo imposant was het kruisvaarderskasteel van Karak dat we de volgende dag bezochten. We kropen hier door de oude donkere gangen van deze ruïne, terwijl we ons een voorstelling probeerden te maken hoe men hier vroeger aan het koken was, kon slapen en wonen, gevangenen in donkere cellen opgesloten hield en hoe men niet-gehoorzame personen over de muur heen naar beneden gooiden. Bij een klein tentje op straat werden we vervolgens getrakteerd op een heerlijk broodje met falafel, patat (ja, in het broodje), komkommer en tomaat.

De tocht vervolgde naar Dana Nature Reserve, een natuurgebied met een landschap waar je totaal niet aan zou denken als je aan Jordanië denkt. Iemand vergeleek het met Cappadocië in Turkije, maar daar kan ik niet goed over oordelen. Wat we in ieder geval wel zagen was een bergachtig landschap met vele grote ronde grijze rotsen, met daartussen allemaal groene struikjes, wat voor een mooi contrast zorgde. In het hele kleine dorpje Dana, midden in het gebied, kregen we allemaal eenvoudige kamertjes, te midden van de ezels en een enkel paard. Bij zonsondergang stonden we aan de rand van de rotsen onder begeleiding van een simpel muziekinstrument allemaal te dansen met de lokale bevolking. De volgende ochtend stond in het teken van een prachtige wandeling door het natuurgebied, onder begeleiding van de meest maffe gids die ik in jaren had meegemaakt. Het zorgde wel voor veel lol onder de groep, terwijl we over stenen klauterden, voorzichtig afdaalden over losse rotsen en ons door smalle kloven heen wurmden. Foto’s bleven gemaakt worden om alle schoonheid vast te leggen. De gids wist ons zelfs te trakteren op een bakje thee, dat hij met een ketel wist te maken boven een zelf gefabriceerd vuurtje.

Later die dag reden we met de bus verder naar de plek die bij iedereen bovenaan het lijstje stond: Petra. Als voorproefje kregen we Little Petra te zien, waarbij we alvast kennismaakten met de unieke ‘bouwstijl’ van de Nabateeërs. In plaats van huizen, tempels en graftombes te bouwen, hakten ze hun gebouwen uit de rotsen zoals beeldhouwers dat doen met standbeelden. Dit resulteerde in steile rotswanden met uitgehakte gladde voorgevels van hun gebouwen, waarvan de binnenruimtes in de rotsen waren uitgehakt. Een paar gebouwen waren hier al te bewonderen, waarbij we over in de rotsen uitgehakte trappen moesten beklimmen om de ingang van enkele ruimtes te bereiken. We keken onze ogen uit over deze prestatie. De echte eye-catchers volgden de dag erna, toen we om 6.30 uur ’s ochtends ons hotel in Wadi Musa verlieten en naar de entree van Petra liepen, op slechts vijf minuten afstand. Er volgde een hele lange toegangsweg, waar we De Zeven Dwergen vormden en –met alle respect voor de uitleg die Talal ons wilde geven- ons afsplitsten van de rest van de groep om zelf op verkenningstocht te gaan door deze historische stad, een Unesco-plek die enkele jaren terug tevens verkozen is tot een van de zeven nieuwe wereldwonderen. De toegangsweg was toch zeker een halve kilometer lang, waarna de 800 meter lange Siq het echte beginpunt aanduidde. Deze kloof was slechts een paar meter breed en liep enigszins omlaag. Slingerend liepen we erdoorheen, met open mond om ons heen kijkende naar de steile rotswanden die langzaamaan mooi oranjerood werden gekleurd door het beetje zonlicht dat van boven naar binnen begon te schijnen. We hadden hier het rijk voor onszelf. Aan het einde werden we beloond op de Treasury, de grote welbekende schatkamer die ook volledig was uitgehakt in de rotsen. Het zag er verbluffend mooi uit. Er was echter nog veel en veel meer, zodat we na dit uur nog negen uur lang konden rondlopen. We liepen door het centrale pad door deze verlaten stad en zagen overal om ons heen tombes, tempels en andere gebouwen in de rotsen zitten. Enkele overblijfselen van tempels stonden vrij, waarbij het duidelijk was dat deze van de Romeinen waren. Zelfs een heel theater met vele rijen met zitplaatsen was volledig in de rotsen uitgehakt. Via een kleine 900 trappen, wat een aardige klim was, bereikten we de Monastery, een gebouw dat nog groter was dan de Treasury. Dit gebouw kon je echter niet in, maar heel veel was er eigenlijk ook niet te zien van binnen, hadden we bij enkele andere gebouwtjes gemerkt: meer dan een paar donkere kamers kwam je niet tegen. Iets voorbij de Monastery had je nog een prachtig uitzicht over de omgeving, vol met andere gebergtes en kloven. Via een pad met nog meer gebouwen, tempels en tombes klommen we later ook nog naar de High Place of Sacrifice, waar in het verleden dieren werden geofferd. Onderweg waren we maar weinig andere toeristen tegengekomen, dus het was een bijzonder avontuur. Wel kwam je zo nu en dan toeristenwinkeltjes tegen en mensen die je een ritje aanboden op een ezeltje. ’s Avonds liepen we nogmaals twee keer de hele Siq door, maar ditmaal om Petra by Night mee te maken, waarbij om de paar meter een lampionnetje op de grond was geplaatst. Dit zorgde voor een erg sfeervol effect. Ook de ruimte bij de Treasury stond vol lampionnetjes, en hier kregen we enige tijd muziek te horen. De volgende ochtend was ik met een paar anderen nog naar een ontzettend mooi uitkijkpunt geklommen, zodat we een prachtig uitzicht hadden op de Treasury. Het was met recht een groots avontuur met een prachtige beloning. Petra was echt ontzettend mooi, en heel erg de moeite waard. Ondanks de vele andere hoogtepunten deze reis, kon er toch niets aan Petra tippen.

Na Petra reden we verder naar Wadi Rum, om vanuit dat dorpje met een jeep, kameel, of te voet naar een bedoeïenenkamp midden in de woestijn te gaan. Ik had ervoor gekozen om een uurtje met een kameel te gaan, om daarna een uurtje te lopen. Het eerste uur was erg goed te doen, het tweede was een stuk zwaarder. Onderweg konden we wel genieten van dit Marsachtige landschap (de film The Martian was hier opgenomen), met veel zand en stenen, en hoge steile rode rotsen. In de avond zaten we op matjes rondom het kampvuur, waarbij er na een lekkere maaltijd marshmallows tevoorschijn werden gehaald. Slapen deden we in onze slaapzakken onder de blote sterrenhemel, die vanwege de bewolking helaas niet zo goed zichtbaar was als we hadden gehoopt. Desondanks was het een bijzonder nachtje! Meer van de woestijn zagen we de volgende dag, toen we met enkele jeeps een tour door de omgeving maakten. We scheurden door de woestijn heen en stopten hier en daar om rotspartijen te beklimmen voor een wijds uitzicht, ons door smalle kloven te manoeuvreren, door bredere kloven te wandelen, of door rotsen te beklimmen om zodoende bovenop een rotsbrug te kunnen staan. Het was een mooie dag, welke we vrij rustig afsloten in de avond. Dit was allemaal echt back to basic.

Nadat we de woestijn hadden verlaten en een kijkje hebben kunnen nemen in het huis van onze bedoeïenengids –hij was weer erg blij om zijn kinderen te zien–, verlieten we Wadi Rum om na een korte stop bij het enige stukje spoorlijn van het land, door de regen naar het plaatsje Aqaba te rijden. Dit lag helemaal in het zuidwesten, aan de Rode Zee. Het was de enige badplaats in het land, en geliefd om het snorkelen en duiken. Bij aankomst maakten we vanwege het bewolkte weer een wandeling door het stadje, waarbij we marktjes over liepen en lange tijd bleven hangen bij een specerijenzaakje. Het strandje wat er hier was, was niet heel bijzonder en was eigenlijk alleen bedoeld voor de lokale bevolking. Heel toeristisch was het ook niet echt. We deden het rustig aan en genoten van een hapje en een drankje, en namen bij een restaurant ’s avonds ook een officieel laatste avondmaal met de groep. De volgende dag was een volledig vrije dag. Een groot deel van de groep had ervoor gekozen om een boottocht te maken, waarbij ze konden snorkelen en daarna op een toeristenstrand te gaan zonnebaden. Ik had mezelf echter opgegeven bij een duikvereniging om drie duiken te maken bij het wrak van de Cedar Pride, de Japanese Gardens en Power Station. Alle drie de duiken waren de moeite waard, en ik heb aardig wat kleurrijke visjes gezien. Een mooie octopus maakte het plaatje helemaal compleet. In de avond hebben we nog met een paar mensen heerlijk Syrisch gegeten, terwijl we uitkeken op een mooi verlichtte moskee.

Op onze laatste dag hadden we een lange busreis naar de hoofdstad Amman in het noorden. Bij aankomst was het vrij bewolkt en regende het hier en daar zelfs; met een gemiddelde van 12 dagen regen per jaar hadden we het dus goed getroffen! Amman was een enorme stad met 4 miljoen inwoners, maar het aantal bezienswaardigheden was op 1 hand te tellen. Vanaf de Citadel konden we goed zien hoe groot de stad was, omdat alles enigszins in een dal lag en de Citadel op een heuvel. We keken rond bij deze historische plek, met Romeinse tempels, Griekse bouwwerken en andere overblijfselen uit andere tijden. Een oud theater was onze volgende stop, alvorens we door de drukke en rommelige winkelstraatjes een wandeling maakten naar het beste eettentje van de stad: Hashem Restaurant. Ondanks de eenvoud van het uiterlijk verkochten ze hier de beste falafel en humus van de stad. Talal was helemaal in z’n nopjes, want hij woonde in deze stad, en wist ons hierna ook te verrassen bij een zaakje met een zeer zoet toetje. Heel veel meer had Amman niet te bieden, waarna de meesten daarna in het behoorlijk luxe hotel bleven hangen. De kamers waren reusachtig en het zwembad en de sauna waren lekker, dus er was ook geen reden om weg te gaan. Daarnaast werden we om 3.45 uur al verwacht in de lobby voor onze rit naar het vliegveld. Talal gaf ons hier nog een aandenken in de vorm van koelkastmagneetjes en een cd’tje met alle foto’s die hij zelf had gemaakt. Een mooiere attentie konden we ons niet bedenken; hij was echt de beste gids die ik ooit had gehad.

Het afscheid van Talal en met de rest van de groep viel bij iedereen zwaar. Ondanks dat de reis maar een kleine 12 dagen had geduurd, leek het alsof we weken onderweg waren geweest, zoveel hadden we meegemaakt en beleefd. De groep was in heel korte tijd heel hecht geworden en het aantal plekken dat we hadden aangedaan was reusachtig, zonder ooit ook maar het gevoel te hebben gehad dat we ergens hebben moeten haasten; alles ging op een lekker tempo en overal hadden we voldoende tijd. Deze reis was gaaf, heel erg gaaf. Jordanië is een prachtig land en verdient het echt om meer toeristen te ontvangen dan dat er nu zijn. En terwijl iedereen stiekem alweer uitkijkt naar een volgende vakantie, kijken we ook allemaal terug op een hele bijzondere periode uit ons leven. Dit hadden we voor geen goud willen missen!

De foto's staan hier.

Van Australië naar Nederland

Dag 24 & 25: Terug naar de andere kant van de wereld

Zondag 8 en maandag 9 november 2015

Terwijl ik dit typ is het 23 uur ‘s avonds en zit ik weer te wachten op het vliegveld van Kuala Lumpur. Het is net zoals drie weken geleden, toen m’n reis naar Australie begon. Het voordeel deze keer is, is dat m’n overstaptijd met anderhalf uur aanzienlijk korter is. Toch ben ik al een behoorlijke tijd op, aangezien ik vanochtend een pickup had om 07:50 uur. Het was niet ver rijden naar het vliegveld van Alice Springs, waar een groep van zo’n 20 toeristen, waaronder ikzelf, de enige personen in de hele vertrekhal waren. Personeel was nog nergens te bekennen en balies waren nog allemaal dicht. Veel vluchten gaan er niet van dit vliegveld, dus het was eigenlijk niet zo verbazingwekkend. Toen er eenmaal meer volk was verschenen, kon ik inchecken en vertrok de vlucht van Qantas perfect op tijd naar de stad Perth, gelegen aan de westkust van Australie. Het zou m’n eerste overstap worden. Aangekomen op de nationale terminal van het vliegveld had ik alle tijd van de wereld om de bus te pakken naar de internationale terminal, waar ik ook nog genoeg tijd had om niet heel veel bijzonders te doen. En dan duren vijf uur best lang. M’n tweede vlucht vertrok om 16:30 uur met Malaysia Airlines naar Kuala Lumpur en duurde iets meer dan vijf uur. En nu zal het niet lang meer duren voordat m’n laatste vlucht van meer dan 13 uur naar Amsterdam vertrekt. Het zal een lange nacht gaan worden.

Ondanks de vele lange vluchten kijk ik enorm enthousiast terug naar de drie weken die ik in Australie heb doorgebracht. Ik heb er totaal geen spijt van gehad om Shoestring voor een keertje weer links te laten liggen en weer eens zelfstandig rond te reizen. Australie was daar dan ook de ultieme plek voor. M’n programma zat bomvol met activiteiten en dat zorgde inderdaad voor aardig wat lange dagen, maar jeetje, wat waren dat ontzettend gave dagen. Australie is zo’n gevarieerd land; je kunt er alles vinden wat je maar kunt wensen. De grote steden waren interessant, de tropische stranden waren beeldschoon, de jungles waren mooi, de onderwaterwereld was prachtig, de outback was heel erg bijzonder en ook alle andere locaties waren stuk voor stuk de moeite waard. Daarbij heb ik ook weer erg veel leuke mensen leren kennen, die de reis nog vele malen gezelliger hebben gemaakt. Wat het volgend jaar gaat worden, weet ik nog niet, maar ik weet in ieder geval zeker dat ik dit jaar een prachtige reis heb gemaakt, met vele mooie herinneringen die ik nog lange tijd zal blijven koesteren! Bedankt voor het volgen van m'n blog!

Foto's zijn hier te vinden!

Uluru, Kata Tjuta & Kings Canyon

Dag 21: De grote monoliet

Donderdag 5 november 2015

Met de trein reed ik in de ochtend naar het vliegveld van Sydney, waar ik na het inchecken helaas moest horen dat ook deze vlucht van Jetstar vertraging had. In eerste instantie stond er een vertraging van 50 minuten vermeld, maar dat werd uiteindelijk maar liefst 2 uur, vanwege erg slechte weersomstandigheden tussen Melbourne en Sydney, waar het vliegtuig vandaan kwam.. Daar was ik uiteraard helemaal niet blij mee; niet alleen maar zozeer omdat ik nog vele malen langer moest wachten op het vliegveld, maar omdat dat ook in de weg zat met de pickup die ik zou hebben op m’n bestemming. Gelukkig was er wifi op het vliegveld, waardoor ik de tour operator kon waarschuwen. Vandaag, morgen en overmorgen zou ik namelijk m’n reis door Australie afsluiten in het hart van het land. Ik had een driedaagse campingtour geboekt door de Australische outback, waarbij we op dag 1 zouden beginnen bij Uluru, de tweede dag naar Kata Tjuta zouden gaan, en op dag 3 eerst naar Kings Canyon zouden gaan, om vervolgens de tour af te ronden in Alice Springs, zo’n beetje het enige stukje leven in de outback. Tijdens m’n vlucht werd heel goed duidelijk hoe groot en leeg het binnenland van Australie was. Toen we Sydney eenmaal hadden verlaten, vlogen we in de 3,5 uur die volgden alleen maar over een grote dorre vlakte van geel/rood/bruin zand en rots, met hier en daar wat struikjes, bomen en enkele rotsformaties. Zo nu en dan kon je opgedroogde riviertjes zien. Het grootste deel van het land zag er zo uit, vandaar dat de meeste interessante plekken van Australie zich aan de groenere oostkust bevonden. Op een gegeven moment zette het vliegtuig z’n daling in. Vanuit de raampjes zag ik nog steeds alleen maar leegte, gecombineerd met diverse brandjes op verschillende plekken. Het bleek dat de bliksem hier twee dagen geleden was ingeslagen en meerdere bomen en struiken in de vlam waren gezet. Vanwege de enorme droogte kon het vuur makkelijk om zich heen slaan, en brandde daardoor zelfs nu nog. Het vliegtuig maakte een landing in the middle of nowhere, op het vliegveld van Uluru.

Wie denkt aan Australie, denkt al snel aan die grote roodoranje rots die in het landschap vanuit het niets opdoemt. Dit is Uluru, een heilige berg voor de oorspronkelijke bewoners van Australie, nog voordat de staat Northern Territories hier werd gesticht. De Aboriginals woonden hier vroeger in dit gebied, leefden in de barre omstandigheden vanwege de enorme hitte en joegen hier op kangoeroes om van te eten. Tegenwoordig leven er nog wel degelijk Aboriginals, maar de aantallen zijn vele malen lager dan in het verleden. Deze mensen leven nog steeds volgens de oude tradities, zijn vele malen donkerder van huidskleur, voeren nog steeds rituelen uit, maar worden nog steeds niet 100% geaccepteerd door de moderne Australiers. Toen ik uit het vliegtuig stapte op dit hele kleine vliegveldje (een enkele landingsbaan en een kleine terminal), was het klimaat even wennen. In plaats van regen, kou en wind was het hier ontzettend warm. Het was hier anderhalf uur vroeger dan in Sydney en het was nu 13.30 uur, midden op de dag. De hitte van meer dan 35 graden paste echter wel helemaal bij deze woestijn, evenals de helderblauwe lucht waar geen wolkje te bekennen was. Om me heen zag ik alleen maar leegte, op Uluru na, de uitgestrekte rots die een erg opvallende verschijning was in dit verder vlakke landschap. Ik werd in de terminal opgewacht door gids Ben en het bleek dat er nog twee Fransen aan boord waren die ook mee zouden doen met de tour. In een touringbus met aanhanger (waar de bagage in kon en waarboven allerlei slaapspullen lagen) begonnen we aan een rit van zo’n 20 km naar het bezoekerscentrum. Hier stonden 16 andere personen op ons te wachten, die allemaal vroeg in de ochtend vanuit het plaatsje Alice Springs meer dan 500 kilometer deze kant op waren komen rijden. Het was een erg leuke en gezellige groep mensen, waarvan de meesten tussen de 20 en 30 jaar waren, maar er ook drie uitschieters tussen zaten van over de 50. We hadden –hoe kan het ook anders- meerdere Duitsers in de groep, evenals een drietal Fransen, een andere Nederlander, twee Amerikanen, twee Spanjaarden, een Koreaan, een Engelse en zelfs twee Australiers, allemaal min of meer gelijk verdeeld in geslacht. Vanwege de vertraging zetten we er behoorlijk wat vaart achter de rest van de middag, maar niets heeft echter overhaast aangevoeld. De sfeer die er in de bus hing was goed, vrolijke en heel toepasselijke country/rock-muziek stond aan en de ramen stonden open voor wat wind. Dat laatste was zeker nodig, want de warmte was anders niet vol te houden.

We reden meteen door naar Uluru, om daar te beginnen aan de eerste van onze drie hikes deze tour. Uluru is een heilige berg, waardoor de Aboriginals met klem verzoeken om deze niet te beklimmen. Toch heeft de Australische overheid nog steeds niet de toegang tot de top definitief geblokkeerd, waardoor jaarlijks toch nog wat toeristen naar boven klimmen over een heel smal, steil en gevaarlijk pad. Dat kon nu echter niet, aangezien het pad gesloten was vanwege de extreme hitte. Maar gelukkig waren wij sowieso niet van plan om tegen alle tradities in te gaan. In plaats daarvan zouden we een stuk van de zogenaamde ‘base walk’  gaan doen, waarbij je rond de rots kon lopen. Helemaal rondlopen was vanwege de hitte nu ook niet toegestaan, maar de helft was nu wel toegankelijk. De volledige wandeling was meer dan 10 kilometer, voor ons was het dus slechts 5 kilometer. Met vele flessen water, een pet op en een zonnebril op gingen we op pad. Een paar liter water bij je hebben was streng aan te bevelen (en 3 liter was eigenlijk verplicht), omdat de hitte van 38 graden je ontzettend snel zou uitdrogen. Ben zou ons met de wagen halverwege opwachten, waardoor wij op ons eigen gemak konden lopen. Onderweg leerde ik enkele personen van de groep al beter kennen. Van dichtbij zag Uluru er anders uit dan van veraf. De roodoranje rotswand was behoorlijk vlak, met hier en daar opvallende gaten. Het zag er indrukwekkend uit. Langs het pad stonden enkele bomen en struikjes, maar in de verte zagen we verder niets. Halverwege onze route, en bij het einde, vertelde Ben ons over deze grote monoliet van 348 meter hoog en 3,6 kilometer lang. Wat we echter niet konden zien was dat de monoliet ook onder de grond nog een heel stuk dieper ging. Hij vertelde hoe de rots rood zand was dat in de loop der miljoenen jaren helemaal was samengeperst. Hij ging verder over de geologie en begon vervolgens over het leven van de Aboriginals, die hier vroeger verscholen in enkele grotten. Met speren jaagden ze op kangoeroes en in de grotten scholen ze voor de hitte. Bomen gebruikten ze als belangrijke bron van water en andere hulpmiddelen. In de grotten konden we zelfs nu nog enkele wandtekeningen van de Aboriginals zien, dat hun manier van communiceren was. De hele beschaving hield alles behoorlijk mysterieus en buitenstaanders weten er eigenlijk maar weinig van. Ook de kennis van Ben was beperkt (ondanks de hoeveelheid die hij wel wist te vertellen), en er zat een behoorlijk complex begrip achter deze cultuur, die slechts enkele personen te horen krijgen. Ben wist alles wel op een erg leuke en enthousiaste wijze aan ons over te dragen, terwijl we allemaal aan het puffen waren en zweet langs onze lichamen voelden druppelen. Toch viel de irritatie van de hitte in het niets vergeleken met de irritatie die we ondervonden van vliegen. Honderden vliegen vlogen voortdurend om ons heen en leken voornamelijk geinteresseerd te zijn in onze ogen, neuzen en monden, omdat deze vochtiger waren dan de rest van onze lichamen. Waar we ook heen gingen, ze bleven ons achtervolgen. Gedurende de hele hike bleven we dus ook maar om ons heen meppen. Het was geen gezicht. Een paar personen hadden bij het bezoekerscentrum al een vliegennet gekocht voor over hun hoofd en het was ons duidelijk dat wij er ook een moesten hebben. Voor nu bleven we nog maar om ons heen slaan.

Na de wandeling stapten we allemaal weer de bus in en reden we (nog steeds met de aanhanger met alle bagage) met de muziek hard aan enkele kilometers weg van Uluru. We kwamen na een tijdje uit bij een parkeerplek waar zich wat later nog vele andere bussen van tourorganisaties verzamelden. Wij waren op tijd en konden nog een tafel voor onszelf claimen. Deze was wel erg handig, want we zouden hier gaan dineren. Terwijl wij allemaal de klassieke foto’s van Uluru aan het maken waren en de zon langzaamaan achter ons richting de horizon zakte, haalde Ben een gasbrander en een wok uit de aanhanger, om daar een avondmaal voor ons te bereiden. De zon zakte steeds dieper weg en de kleur van Uluru bleef maar veranderen van oranje naar rood naar bruin. Het was een prachtig gezicht. We hielpen mee met Ben en plaatsten borden en bestek op tafel. De pasta- en currymaaltijd die we even later konden eten, smaakte erg goed. We genoten van het prachtige uitzicht, het lekkere eten, de koude biertjes uit de koelbox en de erg gezellige groep. Het was me nu al duidelijk dat deze tour waarschijnlijk de leukste was die ik tot dusver deze reis had gedaan. Terwijl alle andere tour operators allang verdwenen waren, deden we de afwas in enkele teiltjes, waarna we weer allemaal de bus in stapten. In het donker reden we –na een stop bij een benzinepomp waar we vliegennetten konden kopen- enkele kilometers naar het kamp waar we de avond en nacht zouden doorbrengen. Het bleek een relatief open terrein te zijn –dus zonder hekwerken om eventuele dingo’s tegen te houden-, waar we parkeerden bij een klein overdekt hutje met een tafel en banken. Er was hier gelukkig verlichting. Tot onze verbazing waren de douches en toiletten hier, ondanks de simpliciteit van deze camping, ontzettend goed, waardoor iedereen kon genieten van een heerlijke (en zelfs warme) douche; dat hadden we wel verdiend. Rond de tafel probeerden we vervolgens enkele spelletjes te verzinnen, beginnende met eentje om onze namen beter te leren kennen. Een ander spelletje bleek ook erg lachwekkend te zijn. Heel veel meer konden we eigenlijk niet verzinnen, waardoor we aan de wandel zijn gegaan naar een klein uitkijkpunt, iets verder weg van de camping zodat we geen last zouden hebben van de paar aanwezige lampen. Toen we vervolgens naar boven keken, zagen we een sterrenhemel zoals je deze niet vaak zag. De hemel was onbewolkt en duizenden sterren waren met het blote oog zichtbaar, veel meer dan thuis waar je vanwege het vele omgevingslicht nauwelijks wat kunt zien. Het deed me terugdenken aan de twee keren in Egypte en Borneo, toen ik ook zoveel sterren kon zien. Terug bij de bus was het bedtijd. Het was een echte wilde kampeertrip en tenten of een resort hoorden daar niet bij. In plaats daarvan kregen we allemaal een zogenaamde ‘swag’, een soort opgerolde slaapzak met matje in een. De onderkant hiervan was ongeveer zoals de onderkant van een tent en met ritsen kon je deze dichtmaken. Losse normale slaapzakken kon je vervolgens weer in deze swag leggen. We konden de swags buiten op het terrein neerleggen waar we maar wilden en vervolgens in de openlucht genieten van de vallende sterren om vervolgens rustig in slaap te dommelen.

Dag 22: De windstille vallei der winden

Vrijdag 6 november 2015

Vannacht was het allesbehalve koud. Ook hebben we geen bezoek gehad van dingo’s, slangen of vervelende insecten. De enige beesten die we zagen, waren de paar grote spinnen in de toiletten. Het was 04:15 uur toen Ben ons wekte. We hadden geen tijd te verliezen en moesten snel onze spullen in de bus leggen en de swags opgerold bovenop de aanhanger gooien. Terwijl het nog donker was reden we in alle vroegte naar de plek van de zonsondergang van gisteravond. De muziek was ook alweer aangezet en Ben was z’n playlist begonnen met een toepasselijk ‘Good morning’-nummer van Eminem, gevolgd door nummers zoals ‘The Land Down Under’, of hoe dat nummer ook precies heet. Het omgekeerde van gisteravond vond nu plaats. Achter Uluru begon de lucht mooi geel/oranje/blauw te kleuren. Op een gegeven moment kwamen de eerste stralen van de zon tevoorschijn achter de rots, waarna een felgele bal erbovenuit kwam steken. In de tussentijd konden we wit brood roosteren op een erg aparte campingtoaster en de toast beleggen met diverse soorten jam. Het begon langzaamaan warmer te worden, wat tevens betekende dat de vliegen ook weer tevoorschijn kwamen. Gelukkig hadden we ons nu allemaal bewapend met een vliegennet, wat aanzienlijk hielp. Niet dat ze nu niet op je afkwamen, maar ze konden je gezicht in ieder geval niet bereiken, wat een hoop gejeuk bespaarde.

De reden voor het vroege opstaan was echter niet alleen de zonsopkomst, maar ook de hike van drie uur die we wilden gaan maken. En hoe vroeger je dat deed, hoe beter dat zou zijn. Na 10 uur ‘s ochtends zou het namelijk al veel te warm zijn om actief te gaan wandelen en klimmen. Het was zeker nog wel een uur rijden naar Kata Tjuta, dat in het Engels ook wel The Olgas wordt genoemd. In de tussentijd kregen we de gelegenheid om ons nog eens goed aan elkaar voor te stellen, door voorin de bus met de microfoon onder andere te vertellen welk dier je graag zou willen zijn en wat voor superkrachten je zou willen hebben. Vervolgens mochten we met een stift onze namen op de ruiten van de bus schrijven, samen met tekeningetjes. Het was duidelijk dat Ben graag van muziek hield, want hij danste achter het stuur vrolijk mee. Aangekomen bij Kata Tjuta waren we meteen enthousiast, aangezien het er hier ook prachtig uitzag. Velen denken dat Uluru het enige is dat hier in de outback te vinden is, maar Kata Tjuta is er ook en dat was zeker een bezoek waard. Maar liefst 36 enorme rode rotsen zijn hier in een groep bij elkaar te vinden. Het uitgestrekte gebied had enkele wandelroutes, waarvan wij de langste route van 7,4 kilometer zouden doen door The Valley of the Winds. Bij aankomst waren onze verwachtingen hoog en deze bleken allemaal terecht te zijn geweest. Het bergachtige gebied was prachtig om doorheen te wandelen. Om ons heen zagen we de grote rode rotsformaties en langs het pad stonden eveneens struikjes en bomen. Het pad ging op en neer, totdat we op een zeker moment een behoorlijk stuk moesten klimmen tussen twee grote rotswanden door. Toen we achterom keken hadden we een prachtig uitzicht over de vlaktes, maar ook hier tussen de rotsen zag de vallei er mooi uit. Ben vertelde ons meer over de kangoeroes hier, de Aboriginals, de planten en bomen, en de gesteentes. Vanwege de warmte was het een zware tocht, maar over het algemeen goed te doen voor de meesten van ons. De twee personen van over de 60 jaar deden een verkorte route, want voor hen was dit net iets te veel van het goede. Wij bleven ons ook tijdens de rest van de route verwonderd kijken naar de omgeving. Tijdens de wandeling konden we onze flessen water zo nu en dan bij bijvullen bij grotere tanks. Ook hadden we altijd een tank met water in de bus staan om onze flessen bij te vullen en onze dorst te lessen. Na de hike reden we weer een stuk verder, om vanaf een afstandje Kata Tjuta te kunnen bekijken. Ook zo zag het er indrukwekkend uit.

Een groot deel van de middag bestond uit het rijden richting Kings Canyon. Over lange rechte weg, met zo nu en dan een flauwe bocht, reden we door een dor en verlaten landschap. Er was hier werkelijk niets te beleven. Terwijl de meeste personen wegdommelden op hun stoelen, hield Ben zich wakker met zijn muziek –hij had niet heel veel reactie gekregen om muziek van iemand anders op te zetten- en zwaaide hij naar elke andere wagen die langs kwam rijden. De meeste andere bestuurders zwaaiden vrolijk terug. Het was de enige manier van afwisseling op deze hele saaie wegen waar je 80, 100 of 110 mocht rijden. Gelukkig was het wel een geasfalteerde hoofdweg en daarbij ook zo’n beetje de enige snelweg die van Adelaide in het zuiden helemaal naar Darwin in het noorden reed. Alice Springs was echter nog meer dan 500 kilometer weg en later zag ik op een bordje dat Darwin nog 1500 kilometer van ons verwijderd was. Tja, ze moesten iets op de bordjes zetten, want heel veel meer was er niet. We maakten onderweg nog wel een stop om met z’n allen wraps te bereiden. Tomaten, sla en ham werden gesneden, en blikken met tonijn, mais en rode bieten werden geopend. Nog wat kaas en saus erbij en iedereen had een heerlijke lunch. Een andere stop volgde bij een enkel gebouwtje langs de weg, waar je de jackpot moest betalen voor wat te eten of een verfrissend flesje frisdrank. Toch konden velen van ons dat toch niet weerstaan, aangezien je op een gegeven moment ook wel beu werd van al dat water. Een volgende stop was ergens langs de weg waar vele uitgedroogde bomen stonden. Om te voorkomen dat eventuele brandjes het hele gebied plat zouden leggen, was het toegestaan om takken van de bomen af te breken. En die takken zouden wij in de avond dan weer heel goed kunnen gebruiken voor een kampvuur. Dus stonden we even later met z’n allen een enorme hoeveelheid hout te verzamelen, waarna alles bovenop de aanhanger werd gebonden. Alle swags werden tijdelijk maar tussen onze banken in gelegd. Volgeladen reden we naar de camping die in de buurt lag -40 km, de definitie van ‘in de buurt’ is hier totaal anders dan in Nederland- van de Kings Canyon. Aangekomen waren de douches weer erg prettig, waarna we een vuur begonnen te stoken en ons avondmaal voorbereidden. Het vuur werd gebruikt om de pannen op te leggen. Enige tijd later hadden we erg smakelijke rijst en chili con carne. Het was verbazingwekkend hoe lekker een maaltijd kan zijn met zulke primitieve middelen. ‘s Avonds bleven we enige tijd rond het kampvuur zitten, maar pakten we toch al snel onze swags erbij om opnieuw in de openlucht te gaan slapen. Het was een lange dag geweest en ook morgen zouden we weer vroeg op moeten staan.

Dag 23: De rode kloof

Zaterdag 7 november 2015

Vanwege iets meer wind was het vannacht iets frisser dan afgelopen nacht, maar heel veel last hadden we daar niet van. Vallende sterren waren er weer volop. We konden vandaag een kwartiertje langer blijven liggen dan gisteren, maar ook 04:30 is geen fijne tijd om op te staan. Snel namen we een ontbijtje en ruimden we alles op. Vervolgens stapten we weer in de bus om koers te zetten naar Kings Canyon, de misschien wel mooiste plek van de hele regio hier. Hoe bijzonder en bekend Uluru ook is, Kings Canyon was ergens nog wel indrukwekkender. Om 06:30 uur begonnen we aan een hike van 6 km die eveneens drie uur duurde, maar wel prachtig was. Deze canyon was weer een gebied met een grote rode rotspartij, waarbij je omhoog kon klimmen en dan bovenaan de rand rond zou kunnen lopen. In het midden had je dan een diepe vallei. Het moeilijkste stuk kregen we meteen aan het begin, aangezien het pad (met uitgehouwen trappen) behoorlijk lang en steil was. Maar het uitzicht dat we van bovenaf hadden was prachtig. De route die we vervolgens liepen was dat ook. We liepen over en langs rode rotsen en konden uitkijken over de kale vlaktes. We mochten niet dichtbij de randen komen, want je wilde hier echt niet naar beneden vallen. Qua omgeving had het hier erg weg van de staten Arizona en Utah in de Verenigde Staten. De rotsen en begroeiing had vele overeenkomsten. Hier en daar kwamen we een klein poeltje van water tegen. Dit bleek regenwater te zijn. In de ‘krater’ groeiden bomen en via enkele trappetjes bereikten we de Garden of Eden, met een watertje en bomen tussen alle hoge rotswanden. Opnieuw wist Ben ons van alles te vertellen over de omgeving hier. Het was een lange wandeling, en moeilijk in woorden te beschrijven, maar het zag er allemaal geweldig uit. De warmte begon ook weer toe te nemen naarmate het later werd, maar er stond veel meer wind dan gisteren, wat behoorlijk aangenaam was. Onderweg maakten we uiteraard behoorlijk wat foto’s en dronken we voldoende. Af en toe kwamen we andere reisgroepen tegen, maar qua drukte viel het nog best mee. Na de wandeling werden we beloond met stukken sinaasappel, dat er zeker goed in ging!

Qua grootse activiteiten was de tour bij deze voorbij. Het was nu zaak om Alice Springs voor het eind van de middag te bereiken. Dat betekende een behoorlijk stuk rijden. Op de ellenlange wegen werd de omvang van dit land, en de leegheid ervan, opnieuw heel erg duidelijk. We staarden voor ons uit, luisterden eindelijk naar wat andere muziek, kletsten met elkaar, vielen in slaap en stopten zo nu en dan bij een heel erg afgelegen winkeltje. Bij een zaakje konden we nog enige tijd naar kunst van de Aboriginals kijken, dat er bijzonder uitzag. Vaak hadden ze schilderingen (op een doek, boemerang, didgereedoo of stokken) met een zwarte achtergrond en vele kleurrijke stipjes, die samen een bepaald patroon kregen. Telefoonontvangst, laat staan internet, hadden we deze dagen niet, maar hier stond wel een tv waarop cricket te zien was, een andere enorm populaire sport hier in Australie. De lunch bestond weer uit wraps. Later in de middag maakten we een stop bij een kamelenboerderij, waar enkele personen eventjes wilden ervaren hoe het was om op dit hoge beest te rijden. Kamelen komen hier in Australie ook in een groot aantal voor, maar zie je over het algemeen niet zo vaak. Op de boerderij hadden ze tevens een aangelijnde dingo –heb ik er toch nog een gezien, alhoewel het eigenlijk een treurig gezicht was-, een paar kangoeroes en een emoe. Even na vijven bereikten we de bewoonde wereld. In the middle of nowhere lag hier het kleine dorpje Alice Springs. Ondanks dat het relatief klein was, was het een grote hub voor de outback, met een ziekenhuis, enkele bars en restaurantjes, tour operators en hostels. Heel veel stelde het echter ook niet zo voor. We werden allemaal gedropt bij het hostel van je keuze, waarmee de tour ten einde was gekomen. Mijn hostel bevond zich aan de oostelijke zijde van het centrum, aan de andere kant van de rivier, alhoewel deze op dit moment (net als waarschijnlijk vele andere momenten) droog stond. Het was een prima plek, alhoewel ik hier niet heel veel tijd heb doorgebracht. Om 20 uur hadden we namelijk met z’n allen afgesproken bij een bar, om de tour op een gezellige wijze af te sluiten. Het was er erg gezellig en we namen allemaal wat lekkers te eten. Voor de tweede en laatste keer bestelde ik kangoeroe. We proostten op Ben en de gezelligheid die we de afgelopen drie dagen hadden gehad. Het was met recht de leukste tour die ik deze reis had gemaakt en was daarmee een ultieme afsluiting van m’n vakantie. Een beter einde had ik me niet kunnen wensen. In de bar verscheen een dj en even later leek het erop alsof iedereen in Alice Springs hier op deze zaterdagavond was te vinden. We maakten het nog gezellig, maar toen was het toch echt tijd om afscheid te nemen van iedereen. Morgen zou ik namelijk op tijd (maar niet absurd vroeg!) op moeten staan voor m’n reis terug naar huis. Het was bijna voorbij.

Sydney & Blue Mountains

Dag 18: De grootste stad van het land

Maandag 2 november 2015

De pickup verscheen vanochtend een kwartiertje eerder dan gepland, maar dat was uiteindelijk niet zo erg, aangezien het behoorlijk druk was op de snelweg richting het vliegveld. Ik kwam alsnog ruim op tijd aan op Gold Coast Airport, aangezien het hele check-in-gebeuren binnen 5 minuten was afgerond. Daarnaast had m’n vlucht enige vertraging (dat is al de derde keer dat ik met Jetstar vlieg en ze een kwartier vertraagd zijn), dus kon ik alsnog een lange tijd in de terminal wachten. Ook al was het maar een uur, op vliegvelden lijken dat altijd eeuwigheden te duren. Na zo’n vijf kwartier vliegen kwamen we om 12.45 uur (het was een uur later in New South Wales) aan op het vliegveld van Sydney, de grootste stad van het land. Het is echter niet de hoofdstad van Australie; die eer mag Canberra dragen, een plek die ik niet interessant genoeg vind om te bezoeken. Vanuit het vliegtuig zag ik dat het een zonnige dag zou zijn met slechts een paar wolkjes. Volgens de piloot was het 29 graden. Des te vreemder was het dus toen ik op het vliegveld door gangen liep waar al kerstversiering was aangebracht. Met de behoorlijk prijzige AirTrain reed ik in een mum van tijd naar het centraal station van Sydney, waar het nog slechts een paar minuten lopen was naar m’n hostel. Drie nachten zou ik hier verblijven, waarbij ik een ruime anderhalve dag heb om de stad zelf te bezoeken. Gezien het tempo waarin ik door steden kan wandelen, leek me dit prima voor Sydney. Zo achteraf gezien na een dag lijkt die inschatting prima te zijn geweest, aangezien ik al aardig wat heb kunnen zien.

Ik begon m’n route in Chinatown, waarbij een straat de hoofdstraat was die aan beide kanten was versierd met een traditionele Chinese poort. Er waren hier verschillende Aziatische winkeltjes en restaurantjes, die zeker niet alleen maar Chinees waren. Het was een prima plek om wat lekkers te halen voor de lunch. Het was druk op straat: er reden veel auto’s door de straten en alle stoepen zagen zwart van de voetgangers. Dit was van toepassing in de hele stad, ondanks dat het een gewone doordeweekse dag was. Het was duidelijk dat dit een grote stad was met aardig wat inwoners. Iedereen hield zich wel netjes aan de regels en stoplichten en zebra’s waren op elke hoek van de straat te vinden. Overal om me heen waren hoge gebouwen te vinden van grote bekende bedrijven; het was het echte zakelijke district, maar tevens het district waar iedereen kwam om te winkelen. Ik liep verder langs de Chinese tuin, en kwam uit bij de Darling Harbour, een van de twee grote en bekende havens aan de zuidelijke kant van de rivier die dwars door Sydney stroomt. Het was een haven voor kleine bootjes, maar had ook vele voorzieningen voor zowel toeristen als de lokale bevolking. Er waren hier veel werkzaamheden gaande: grote nieuwe gebouwen waren in aanbouw, waardoor de stad binnenkort onder andere een groot nieuw conferentiecentrum rijker zal zijn. In aanloop naar de Darling Harbour passeerde ik ook weer enkele groene plantsoentjes. Het leek erop alsof Sydney een groene stad was, want ook bij Chinatown was ik al een parkje gepasseerd en er waren nog vele andere parken in de stad te vinden. Aangekomen bij de Darling Harbour zag ik verschillende kleine witte bootjes in de haven liggen en begon ik aan de westelijke zijde. Ik passeerde een museum voor kunst en allerlei restaurantjes aan de kade. Er stond hier ook een reuzenrad, maar ik hoefde hier niet per se in. Aan de overkant van het water zag ik alleen maar zakelijke gebouwen van bijvoorbeeld de Rabobank, ING, KPMG en meer. Kleine bootjes aan de kade maakten nu plaats voor enkele grote schepen die onderdeel waren van het maritieme museum. Er lag zelfs een onderzeeer in het water hier. Aan de overkant van de haven (een inham ten opzichte van de rivier) waren SeaLife te zien, WildLife (met enkele Australische beesten) en Madame Tussauds. Ook voor deze musea stond ik niet zo te springen. Aan het einde van de haven bekeek ik de rivier, waar wat grote boten, voornamelijk ferries, heen en weer voeren. Aan de overkant van het water was namelijk nog een deel van de stad, maar de meeste toeristen zullen daar niet zo snel komen, behalve om een bezoek te brengen aan de Taronga Zoo. Ik keerde om en stak de haven over via een brug die alleen toegankelijk was voor voetgangers. Je had van bovenaf een mooi uitzicht over de haven.

Aan de oostelijke kant van de brug kwam ik uit in het hartje van het centrum. Vele grote straten liepen hier in rechte lijnen parallel aan elkaar. Het maakte het navigeren wel een stuk eenvoudiger. Ik liep door een paar straten en kwam uit bij de Town Hall, een ouderwets ogend gebouw dat er echter wel sierlijk uitzag. Betreden had echter niet heel veel zin. Ernaast stond het eveneens klassieke Queen Victoria Building, dat tegenwoordig dienst doet als een winkelcentrum van meerdere verdiepingen. Ik zou hier zo nog terugkeren, maar liep eerst een stukje zuidoostelijker naar Hyde Park, een groen park waar het in de schaduw van de bomen prima te vertoeven was. Aan de ene kant van het park stond een gebouw dat het Anzac Memorial was. ANZAC is een afkorting voor Australian and New Zealand Army Corps en was dus een gedenkplaats voor alle slachtoffers uit het leger. In de kleine tentoonstellingsruimte werd enige geschiedenis verteld over de beide Wereldoorlogen en hoe de legers uit Australie en Nieuw-Zeeland hierbij betrokken waren. Enkele attributen waren ook te bekijken. In het centrum van het gebouw was een gedenkplek, gekenmerkt door een brandende vlam en de vlaggen. Namen van landen waar slachtoffers waren gevallen waren in de muren vermeld. Een reflecterend watertje naast het memorial was nog in aanbouw. Ik liep door het park heen en kwam uit bij de St. Mary’s Church, dat ernaast lag. Zowel van buiten als van binnen was het een mooie kerk, met vele glas-in-loodramen. Ik doorkruiste het park, liep langs een fontein met beelden van enkele dieren en personen, en liep terug naar het winkelgedeelte. Ondanks dat het een maandagmiddag was, waren veel mensen op zoek naar van alles en nog wat. Winkels deden goede zaken, waaronder de vele kleine winkeltjes in het Queen Victoria Building. Verspreid over meerdere verdiepingen kon het volk losgaan op unieke kleding en spulletjes. Ook hier was al gedeeltelijk de kerstversiering opgehangen. Buiten liep ik vervolgens door Pitt Street heen, de bekendste winkelstraat van de stad. Hier waren de bekendere winkelketens te vinden, waaronder de H&M die nog maar net twee dagen open was. Overal door de stad hingen nog banners over de ‘grand opening’ op 31 oktober. Winkels ben ik echter niet in gegaan, omdat ik nou niet bepaald iets nodig had.

Ik was bij het maken van m’n planning in de veronderstelling dat m’n dag ondertussen wel voorbij zou zijn, maar alles verliep ik een stuk vlotter dan ik dacht. Ik liep daarom door verschillende straten verder naar het noorden. Circular Quay, een haven ten oosten van de Darling Harbour, wilde ik voornamelijk bewaren voor morgen, maar het stuk dat ertussenin zat, kon ik vandaag nog prima doen. Zodoende kwam ik uit bij The Rocks, waar ik een stukje door de Circular Quay liep. Een enorm groot cruiseschip lag hier aangemeerd. Het leek wel een heel flatgebouw met vele verdiepingen met allemaal balkonnetjes van kamers waar de gasten konden verblijven. Voor me kwam de grootste brug van de stad, de Sydney Harbour Bridge, steeds dichterbij. Deze grote brug verbindt de zuidelijke helft van Sydney met de noordelijke helft, en dagelijks raast er heel veel verkeer overheen. Ik vond het niet zo nodig om de brug over te steken. Helemaal bovenop de brug, op de hoogste kromming, zag ik kleine poppetjes bewegen; het waren mensen die de brug aan het beklimmen waren. Het zag er apart uit om mensen zo hoog op een brug te zien wandelen. In het water voeren aardig wat boten, waarvan vele ferries waren die passagiers naar andere plekken in de stad konden brengen. Aan de andere kant van de haven zag ik ten slotte het bouwwerk waarvoor Sydney voornamelijk bekend om staat: het Sydney Opera House. Dit grote operagebouw, dat tevens voor ander soort voorstellingen wordt gebruikt, had een heel uniek dak met allerlei schelpachtige vormen. Het zag er imposant uit en was een mooi voorproefje voor morgen, als ik dichterbij zou komen. Voor nu liep ik onder de Harbour Bridge door en keerde ik aan de andere kant ervan om. Ik kwam uit in een heuvelachtig wijkje met wat oudere en klassiekere huizen. Het was hier een stuk rustiger dan in het zakelijke gedeelte. Heel veel viel er hier echter ook niet te beleven. Er was hier wel een sterrenwacht, maar aangezien er wat bewolking over Sydney was gedreven, had het weinig zin om hier naartoe te gaan. Vandaar dat ik door de vele straten van het centrum maar langzaam terug liep richting m’n hostel. Toen ik daar in het donker was aangekomen, was m’n dag ook wel voorbij. Onderweg, niet ver uit de buurt van een net neergezette kerstboom, had ik een doosje met sushi gehaald. Perfect om in het hostel op te kunnen eten. Ik was benieuwd naar de volgende dag, waarop ik de hele dag in Sydney zou kunnen vertoeven!

Dag 19: To climb or not to climb: that is the question

Dinsdag 3 november 2015

Gisteren had ik ze al gezien, maar vandaag was het de beurt aan mij. Er zijn niet veel plekken op deze planeet waar je de mogelijkheid om op een brug te lopen. En dan bedoel ik niet het lopen over het voetpad van een brug, maar het lopen op de boog helemaal bovenop een brug. De Sydney Harbour Bridge is een van de weinige bruggen die je echt kunt beklimmen, en zo’n unieke ervaring wilde ik echt niet missen. Al vroeg in de ochtend verliet ik m’n hostel, aangezien mijn klim om 9:25 uur zou beginnen en ik nog wel een stukje te lopen had naar The Rocks. Het was echter een aangename wandeling, waarbij het overduidelijk spitsuur was. Op straat reden vele auto’s, maar ook op de stoep liepen veel mensen overduidelijk op weg naar hun werk. Het weer was helaas totaal verschillend met gisteren; toen was het zonnig, maar nu was het grijs en bewolkt. Koud was het niet, en gelukkig was het nog droog. Aangekomen bij de BridgeClimb had ik nog wat tijd over, waardoor ik een film kon kijken over hoe de brug in de jaren ’30 met veel enthousiasme werd geopend. De tentoonstelling die erbij hoorde, liet zien hoeveel werk het had gekost om dit enorme bouwwerk in elkaar te zetten. Toen het eindelijk zover was, werd ik met 11 andere mensen ontvangen en kregen we een blaastest. Je mocht namelijk niet hebben gedronken. Ook was het noodzakelijk om te hebben ontbeten. We gingen vervolgens door een uitgebreide procedure om ons voor te bereiden op het echte werk. We moesten ons ontdoen van alles dat los zat of los kon raken. Tassen, telefoons, horloges en sieraden moesten allemaal in de kluisjes worden achtergelaten. We werden in een overall gehesen en kregen vervolgens een tuigje aan, met daaraan een zekering. We kregen een doekje vastgeclipt, evenals een regenjas en een pet. Ten slotte kregen we een radio met een koptelefoon. In de hal stond een trap om de klim te kunnen oefenen. Het was te allen tijde duidelijk dat veiligheid helemaal bovenaan stond. De zekering ging rond een staalkabel die voortdurend langs de railing liep en een steile trap moesten we een voor een beklimmen, met je gezicht altijd gericht naar de trap. Gids Kimberley wist alles op een leuke en vrolijke manier te brengen. Toen het zover was, liepen we naar buiten, waar we onderaan de brug begonnen. We bevonden ons echter al boven de straat waar ik gisteren had gelopen om onder de brug door te gaan. Via een smal pad, met railingen aan beide zijden, liepen we onder de brug door, waarbij we zo nu en dan moesten bukken en over obstakels heen moesten stappen. Na een horizontaal stuk kwamen we bij de grote pilaar van de brug aan, waarna we enkele steile stappen moesten beklimmen. Heel veel waren dit er echter niet, dus zwaar was het niet. Ondertussen vertelde Kimberley ons over de brug en het uitzicht. Wat betreft het uitzicht: dit had een stuk beter kunnen zijn. Het weer was er namelijk niet echt op vooruit gegaan. Het was nog steeds grauw en grijs, en het leek erop alsof het elk moment zou kunnen regenen. De regenpakken hadden we uit voorzorg daarom ook alvast aangedaan. Terwijl we de steile trappen opliepen, kwamen we op de hoogte van de auto’s en treinen die langs ons heen raasden. Het duurde echter niet lang voordat we over hen uitkeken. Het belangrijkste stuk van de brug volgde nu: via de bovenzijde van de boog liepen we aan de oostelijke kant via een trap langzaam omhoog. Er was slechts een kleine helling, waardoor het helemaal niet zwaar was. Daarnaast gingen we ook heel langzaam omhoog. Het was ondertussen wel gaan regenen. We hadden een mooi uitzicht over de hele haven, met alle hoge gebouwen die daar achter lagen. Uiteraard keken we ook uit over het prachtige Opera House. Kimberley vertelde ondertussen leuke verhalen over hoe alle grote platen van de brug waren gemaakt, hoe alle nagels hier ter plekke werden gemaakt en naar elkaar werden overgegooid zolang ze nog heet waren, hoe zwaar de werkers het hier hadden, hoe wij met z’n twaalven meer veiligheidszekeringen hadden dan de paar honderd mensen die hier dagelijks aan het werk waren, en hoeveel mensen er naar beneden waren gevallen (en dat er eentje het miraculeus had overleefd). Onderweg maakten we vele stops voor foto’s die door Kimberley waren gemaakt. Het waren tevens mooie momenten om te kletsen met de personen voor of achter je. Zodoende leerde ik de Australier Ken kennen, die hier vlakbij in de Blue Mountains woonde en deze klim van zo’n vrouw en dochter cadeau had gekregen. Hij wist veel over de omgeving te vertellen, en tevens over iets dat deze middag zou gaan plaatsvinden. Zo direct meer daarover. We klommen ondanks de regen gestaag verder en voor we het wisten waren we al op de top van de brug. Enthousiast juichten we naar het team aan de andere kant van de brug. We konden niet al te ver kijken, maar wat we wel konden zien van het uitzicht zag er goed uit. We staken de brug over naar de westelijke zijde en gingen van daaruit langzaam terug naar beneden. Terwijl we weer onder de brug door liepen, konden we met z’n allen zeggen dat we zowel bovenop een brug hadden gestaan, als dat we waren overreden door een trein. Terug binnen kregen we een certificaat en een groepsfoto, en mochten we de pet houden als souvenir. Dat laatste was erg fijn, want ik had m’n jas niet meegenomen en het miezerde nog steeds.

Vanwege de regen vielen m’n plannen voor de middag enigszins in het water, omdat ik voornamelijk buiten wilde wandelen. Daarom besloot ik eerst uitgebreid te gaan lunchen hier bij The Rocks, samen met de Rotterdammer Richard die ook was meegaan op de klim en ook alleen op reis was. Dat maakte de lunch in dit Duitse cafe toch net weer wat gezelliger. We liepen vervolgens door de Circular Quay, een haven die vergelijkbaar was met de Darling Harbour. Hier waren alleen meer opstappunten voor de ferries, maar aan weerszijden had je eveneens verschillende restaurantjes en barretjes. We liepen naar het Sydney Opera House, waar we afscheid namen. Hij zou namelijk een rondleiding door het gebouw gaan maken en ik niet. Ik maakte echter wel een wandeling rond dit imposante gebouw. De duizenden tegels op de schelpachtige daken zagen er erg bijzonder uit. Het gebouw zelf lag iets hoger, waardoor je via trappen bij de hoofdingang moest komen. Er waren echter ook ingangen aan de zijkanten. Achter het gebouw was een formele zakelijke receptie bezig. Het was niet alleen een receptie, want de mensen hadden zich hier ook voor een andere reden verzameld. Ook bij de grote bar vlak naast het Opera House waren ontzettend veel mensen te vinden. Eerder op de middag had ik het ook al gezien, maar veel vrouwen waren allemaal heel chique uitgedost in jurken met aparte hoedjes en ook veel mannen waren allemaal smart casual gekleed. Het was namelijk de eerste dinsdag van november en dat betekende dat het een speciale dag was voor alle Australiers. Het was een dag waarop vele mensen vrij namen van hun werk en mensen in de staat Victoria zelfs een dag vrij kregen. Het was een dag waar mensen naar uit hadden gekeken en waarop men zich onder vrienden of familie schaarde op een plek waar een tv in de buurt was. Hier bij deze bar, net als bij vele andere tenten in de stad, waren de tv’s afgestemd op de Melbourne Cup. Om klokslag 15 uur begon ten slotte ‘the race that stops a nation’, de jaarlijkse grote finale van de paardenraces. Toen ik in Melbourne was, had ik in het museum al over de geschiedenis van het bekende paard Phar Lap kunnen lezen, en nu kon ik zelf getuige zijn van hoe alle Australiers hier voor drie minuten lang aan de buis gekluisterd zaten, in de hoop dat het paard en de rijder waarop zij hadden gewed, als eerste over de streep zou rennen na iets meer dan 3 km. De race was daarom ook zo voorbij en de enige vrouw van de race, Michelle Payne, mocht zich de winnares noemen. Paardenraces zijn enorm groots hier in Australie, dus het was bijzonder om dit zo mee te maken tussen het volk.

Ondanks dat het weer nog steeds niet al te best was, was het ondertussen wel droog, waardoor ik de Royal Botanic Gardens in kon lopen. Deze grote tuin liep langs het water en bevatte vele grote en unieke bomen, planten en bloemen. De tuin zag er fraai en fleurig uit. Ik keerde om bij het eind, waar je de zogenaamde MacQuary’s Chair had, een in de rotsen uitgehakte bank waar de koningin vroeger graag zat. In de bomen in het park zaten vele kleine papegaaitjes. De kleurrijke beestjes vlogen ook rond van boom naar boom. Hier en daar spotte ik ook enkele witte kaketoes. Toen ik de tuin uit liep, begon het weer te druppelen, waardoor ik de National State Library inschoot. Er was hier een gratis tentoonstelling te bezichtigen van Tony Mott, een bekende fotograaf voor rocksterren. Vele foto’s van bekende rockpersonen, waarvan ik slechts sommige kende, waren van zijn hand afkomstig. De bibliotheek sloot echter om 17 uur, waardoor ik alweer snel buiten stond. Ik ging in het centrum op zoek naar wat te eten, en liep na m’n noedels weer terug naar het Opera House. Ik had namelijk een voorstelling geboekt in het Opera House! Nu bleek uiteindelijk dat er meerdere ruimtes waren in dit gebouw en dat ik helaas niet in de grote bekende ruimte zou komen te zitten. Desondanks heb ik een erg vermakelijke voorstelling meegemaakt. Gedurende drie uur kon ik genieten van een gedeeltelijk moderne uitvoering van Shakespeare’s klassieker Hamlet. Alhoewel me de titel wel wat zei, kende ik de rest van dit toneelspel totaal niet. Ik wist ook niet zeker of ik dit wel interessant zou vinden, maar het was de gok waard. En uiteindelijk was het nog erg vermakelijk ook. De cast bestond uit 10 leden die het verhaal over de koning van Denemarken en prins Hamlet op een goede en leuke wijze wist neer te zetten. Na het overlijden van Hamlets vader neemt diens broer Claudius het koningsschap over. Daarbij trouwt hij ook meteen met oud-koningin Geertruide. Hamlet, zoon van oud-koning en Geertruide, krijgt bezoek van de geest van z’n vader, die hem laat weten dat hij is vermoord. Hamlet weet op dat moment niet meer wat hij moet doen, begint te twijfelen over zijn eigen bestaan (‘to be or not to be, that is the question!’) en begint helemaal door te slaan met alles, ook bij zijn vriendin Ofelia en haar vader. En –SPOILER!!!-  aan het eind gaat iedereen dood –EINDE SPOILER-. Drie uur later liep ik enthousiast de zaal uit. Het was leuk om te zien hoe ze enkele moderne twists aan het verhaal hadden gegeven. Door een fel verlichtte stad, waar mensen nog steeds in nette kleding aan het socializen waren naar aanleiding van de Cup, liep ik terug naar m’n hostel. Ik had de belangrijkste dingen van Sydney bij deze gezien, en kon morgen dus prima een dagje elders heen gaan.

Dag 20: De eenzame zuster

Woensdag 4 november 2015

Vanuit Sydney is er een bekende plek waar toeristen vaak naartoe gaan voor een dag. Dat gold dus ook voor mij. Ik liep een stukje naar een ander hostel in de buurt en wachtte daar samen met twee Duitsers op onze pickup om 8:20 uur. Deze verscheen iets later. Een vriendelijke gids, een relatief oudere man, begroette ons en heette ons, samen met 16 andere toeristen, welkom op deze dagtour naar de Blue Mountains. Volgens het programma zouden we naar een grote waterval gaan, diverse kabelbanen kunnen nemen om te genieten van het prachtige bergachtige landschap, een uitkijkpunt bezoeken waarvandaan we een goed uitzicht hadden over de zogenaamde ‘Three Sisters’, drie grote rotsen naast elkaar, en ten slotte een cruise maken over de rivier, welke zou eindigen in Sydney. Dat was in ieder geval het programma, maar al vrij snel werd duidelijk dat dit alles niet helemaal mogelijk zou gaan zijn. Vergeleken met vandaag was gisteren namelijk nog een goede dag wat betreft het weer. Het was de hele dag zwaarbewolkt, het heeft de hele tijd geregend en het was zo mistig dat we niet veel verder dan 100 meter konden kijken. Het leek Nederland wel, behalve dat het hier misschien een graad of 5 warmer was. Desondanks gingen we vrolijk op pad, waarbij de gids uitgebreid begon te vertellen over de veiligheidsvoorschriften in de bus, waarbij hij benadrukte dat we echt onze gordels om moesten hebben en er geen hete dranken mochten worden genuttigd in de bus. Allemaal streng gereguleerd door de overheid. Het was een verhaal dat ik echter al vaker had gehoord, evenals de vrij uitgebreide uitleg over hoe Australie ontstaan is. Dat begon, zoals vele geschiedenisverhalen over andere landen, met de Nederlanders, die hier New Holland hadden gesticht, maar later toch niet zo geinteresseerd waren en de Engelsen de macht grepen. Ook kwam het voor mij inmiddels bekende verhaal van de ontstaansgeschiedenis van het woord ‘kangoeroe’ voorbij. De Engelsen kwamen deze beesten tegen en vroegen aan de Aboriginals wat het voor beest was. Ze antwoordden met het woord ‘kangaroo’, wat in hun taal min of meer overeenkomt met ‘wat zeg je?’, aangezien ze de vraag niet begrepen. Het was een lang verhaal, maar hij bracht het allemaal op een leuke manier.

Het weer werd er niet beter op en bij ScenicWorld, waar de kabelbanen begonnen, kregen we de gelegenheid om poncho’s te kopen. We reden een stukje verder en kwamen bij Echo Point uit, waar je een mooi uitzicht zou hebben over de omgeving. We keken echter naar een groot gordijn van dikke mist, die tot diep in de afgrond liep. Enkele bomen aan de zijkanten waren nog wel zichtbaar, net als de scherpe rotsen. We zagen nog wel de schim van een van de drie gezusters, welke we iets later wat beter zagen door via trappen af te dalen naar deze aparte rots. Van hier konden we erachter net de schim van haar zusje zien. Het was een grote rechtopstaande rots, die vanwege de mist in het niets leek te zweven. Desondanks was het een apart gezicht. Met onze capuchons op en paraplu’s liepen we terug naar de bus, waarna we doorreden naar het kleine plaatsje Leura. Hier kregen we de gelegenheid om in een uurtje ergens te gaan lunchen. De visburger smaakte in ieder geval prima. Toen ik daarna nog even langs de winkeltjes liep (en erin dook om te schuilen voor de regen), kreeg ik een beetje het gevoel dat ik iets te jong was voor dit dorpje. Alle winkeltjes verkochten namelijk alleen maar antiek en hele ouderwetse kleding. Daarnaast leken de meeste bezoekers een leeftijd van boven de 50 te hebben. Een winkeltje had ontzettend oude muziek aan staan, dat stiekem dan toch wel weer leuk was. Terug bij de bus werd ons gevraagd of we voor een extra 35 dollar alsnog de kabelbanen wilde doen, maar iedereen zei wijselijk ‘nee’, aangezien je toch niets zou zien. Onze gids was gelukkig creatief en was al aan het bedenken wat we als alternatief zouden kunnen doen. Hij besloot dat we een stuk zouden rijden door het nationale park. Hier liepen we wat later in de regen, over modderige paden met grote plassen water, naar de bovenkant van de Katoomba Falls. De hele waterval zouden we vanaf de onderkant door de mist niet kunnen zien, vandaar dat we de kleine watervalletjes erboven zouden bekijken. Het zag er allemaal wel OK uit, alleen zorgde de regen ervoor dat we weer snel terug wilden naar de bus. We reden verder door het park en werden getrakteerd op het zicht op verschillende wilde kangoeroes die hier in de bossen leefden. Ze sprongen rond over de grasvelden, maar zaten soms ook mooi gecamoufleerd tussen de bomen vlak naast de weg. Het was leuk om ze nog eens te zien! Een stuk verder namen we bij rotsen nog een kijkje bij een diepe afgrond. De bodem kon ik niet zien vanwege de mist, maar diep zal het vast zijn geweest.

Het laatste stuk van de tour bracht ons terug richting Sydney, waar we helaas in een enorme file kwamen te staan vanwege een ongeluk dat net was gebeurd. Uiteindelijk kwamen we uit bij het Olypisch Park van Sydney, waar we langs allerlei verschillende stadions reden. Het zag er imposant uit. Op het moment dat wij hier langsreden, begonnen allemaal mensen zich hier te verzamelen voor een concert van AC/DC. Achter het park lag een haven voor een ferry, waar we afscheid namen van de gids en de bus. Het was hier nog een hele tijd wachten op de komst van andere toeristenbussen, die door het ongeluk ook enorm vertraagd waren. Uiteindelijk vertrokken we, om koers te zetten naar de Circular Quay. Hier werden we gedropt en het was aan jezelf hoe je uiteindelijk weer thuiskwam. Het had een mooie dag kunnen zijn, maar helaas wist het weer dus behoorlijk wat roet in het eten te gooien. Het idee dat ik oorspronkelijk voor de avond had –een kort bezoek plegen aan de wijk King’s Cross met een groot reclamebord van Coca-Cola- liet ik vanwege de regen schieten. In plaats daarvan hing ik rond in het hostel om m’n reisverslag bij te werken en m’n tas opnieuw in te pakken. M’n Lonely Planet van East Coast Australia kon ik diep wegstoppen, aangezien ik deze niet meer nodig zal gaan hebben. M’n reis langs de oostkust van Australie is vanaf morgenochtend vroeg namelijk voorbij. Dan zal ik namelijk naar het vliegveld gaan voor een vlucht naar het westen.

Surfers Paradise & Byron Bay

Dag 16: Het paradijs voor surfers

Zaterdag 31 oktober 2015

Na een checkout liep ik naar de busterminal van het station in Brisbane. Alhoewel ik nog wel enige tijd op m’n bus heb moeten wachten, hoefde ik voor de verandering ditmaal slechts iets meer dan een uur te reizen naar m’n volgende bestemming. Het was Surfers Paradise, een populaire badplaats aan de oostkust van Australie. Langs de snelweg werd het al duidelijk dat dit een enorme plek voor entertainment zou zijn, aangezien we een pretpark en een waterpark passeerden. Ook een Movie Studios-park was hier niet ver vandaan te vinden, evenals SeaWorld. Het waren allemaal parken die ik echter niet zou bezoeken. Toen we Surfers Paradise naderden, vielen de hoge hotels en apartementen, soms uniek gevormde torens, al snel op. Bij aankomst was het meteen duidelijk: dit was zoals Phuket in Thailand, Playa del Carmen in Mexico, Kuta op Bali, populaire badplaatsen in Spanje en Scheveningen. Het was hier een groot vakantieoord voor allerlei soorten toeristen, grootser dan ik tot nu toe had gezien. Ik liep eerst naar m’n hostel, gelegen in een rustige zijstraat vlak buiten het drukke centrum. Het zag eruit als een gezellig hostel en overal waren versieringen aangebracht voor Halloween, iets dat men hier ook uitgebreid vierde. Toen ik wat later door Surfers Paradise liep, viel het ook op dat er meerdere zaken aangekleed waren voor dit griezelfeest, en sommige verkopers waren zelfs al geschminkt. In de straatjes langs de boulevard waren alle zaken te vinden die je maar kon bedenken op een locatie als deze: vele winkeltjes met strandkleding, eet- en drinktenten van elke bekende keten, toeristenwinkeltjes en talloze plekken met entertainment. Denk bij dit laatste aan Ripley’s Believe It Or Not, nachtclubs (op dat moment nog gesloten), bowlingcentra, enorme arcadehallen met superveel speelkasten en plekken waar je je kon verkleden als cowboy/girl en dan op de foto kon gaan. Daarnaast stonden er overal promoters van club crawls en dinershows, en kon je meerijden op een amfibievoertuig. Toeristen waren er in overvloed: alle leeftijden waren hier aanwezig, maar allemaal waren ze extreem zomers gekleed. Dat kon overigens prima, want het zonnetje scheen lekker en de temperatuur was heel aangenaam. En dan had je natuurlijk nog de boulevard, waar je onder palmbomen kon lopen. Daarnaast had je een breed en enorm uitgestrekt strand met goudkleurig zand (het was immers de Gold Coast), waar vele mensen op lagen te zonnen, of een potje beachvolleybal op speelden. In de zee zwommen enkele toeristen, maar ondanks de naam van het plaatsje werd er maar weinig gesurft, ondanks dat de golven er prima voor leken te zijn. Opvallend genoeg waren er wel aardig wat mensen op skateboards te bekennen. Ik gedroeg me zoals de andere toeristen, schranste wat fastfood weg, slenterde wat rond met een fruit shake in m’n handen en keek rond bij allerlei zaakjes. Het was allemaal prima voor een halve middag, maar was om eerlijk te zijn nou niet helemaal m’n ding.

Terug in het hostel bleef ik in de relaxstand totdat de avond was aangebroken. Het was Halloween en een zaterdagavond, dus dat moest in zowel het hostel als heel Surfers Paradise groots gevierd worden. Via het hostel werd een club crawl georganiseerd, waarbij we met de gasten van nog een paar hostels een drietal clubs zouden bezoeken. Het feest begon echter al in het hostel met wat te eten, te drinken en enkele spelletjes rond de pooltafel. Het personeel van het hostel was tevens bereid om iedereen van schmink te voorzien, waardoor we er allemaal even later allemaal bij liepen met wonden op onze wangen, een doorgesneden keel of een kogelgat op het voorhoofd. Het zag er gaaf uit en de sfeer zat er al goed in. We kregen polsbandjes en een lichtgevende ketting en begonnen aan onze tocht. Hierbij werd heel goed duidelijk dat de avonden in Surfers Paradise nog wel populairder waren dan de middagen; althans, dat was vandaag in ieder geval wel zo. Vele mensen op straat waren als zombies geschminkt, of hadden pakken aan van Superman, Yoshi, Mario, The Joker of iets totaal anders. Het was een heel sfeervol gezicht. Nu het donker was waren alle gebouwen mooi verlicht. Bij vele bars en clubs stonden rijen om naar binnen te mogen en eettentjes deden eveneens goede zaken. Het was een vermakelijke avond, waarbij de dj’s af en toe leuke Halloween-tunes wisten te mixen met de rest van de muziek, zoals de tunes van The Adam’s Family en The Exorcist. En Thriller van Michael Jackson heb ik ook meer dan eens voorbij horen komen. Snoepjes heb ik echter nooit gekregen. Maar ach, bonnetjes voor gratis cocktails waren ook goed.

Dag 17: Hippies in het oosten

Zondag 1 november 2015

Om 10 uur stond ik paraat bij de bushalte van Surfers Paradise. Het leek me niets om hier nog een dag rond te slenteren, maar ik wist nog wel een plaatsje waar ik een middagje zou kunnen vertoeven. Een plaatsje dat ook op de backpackersroute lag, maar ik geen tijd voor zou hebben om voor een langere periode te bezoeken. Achteraf gezien vond ik dat ook helemaal niet zo erg, want een middag bleek meer dan voldoende te zijn. Ik stapte op een minibus die nog ergens anders vier personen ophaalde, waarna we in zo’n anderhalf uur naar Byron Bay reden. Dit kleine plaatsje staat om een paar dingen bekend en de vuurtoren is er daar een van. We werden voor een uurtje gedropt op een hoge klif aan het water. De wind zorgde voor vele golven in het water, die opspatten tegen de kliffen. Het zonnetje scheen enigszins achter enkele wolken. Het weer had in ieder geval vele malen beter kunnen zijn. Op de klif stond een spierwitte vuurtoren uit het jaar 1901. Een vrijwilliger wilde ons wel een rondleiding geven door de vuurtoren, waardoor we enkele trappen omhoog moesten klimmen -heel hoog was de toren niet- om zodoende onder de lamp uit te komen. In tegenstelling tot vroeger draaide deze nu rond door middel van elektriciteit en was de lamp zelf ook gemoderniseerd. Het was mogelijk om een rondje aan de buitenkant te lopen, waar we een mooi uitzicht hadden over de omgeving: diverse stranden, het plaatsje Byron Bay en de oceaan. Een pad onderaan de vuurtoren leidde naar het centrumpje, maar deze namen we vanwege het weer niet. Wel interessant om te vermelden is dat dit het meest oostelijke punt van Australie was.

Met de bus reden we naar het centrumpje, waar we rond 13 uur aankwamen. Nou ja, eigenlijk kwamen we om 14 uur aan, aangezien Byron Bay in de staat New South Wales ligt en het daar 1 uur later is dan in Queensland. We kregen vijf uur de tijd om zelfstandig door te brengen in Byron Bay en hadden het geluk dat het vandaag de eerste zondag van de maand was. Dat betekende namelijk dat er een markt zou zijn. Dit was dan ook de plek waar we gedropt werden. Op een groot grasveld waren vele kraampjes geplaatst waar de gehele lokale bevolking op was afgekomen. Je trof hier veel ambachtelijke en unieke producten aan, zoals kaas en honing, kaarsen en fluiten, en dromenvangers en zeepjes. Uiteraard waren er ook voldoende kraampjes om te eten. Met een lunch nam ik plaats bij een plek waar de vierkoppige band The Heart Collectors nummers aan het spelen was van hun eigen album, maar ook covers. De countrymuziek lag erg lekker in het gehoor. De markt kwam na hun optreden alweer ten einde, waardoor ik het centrumpje in liep. Het was hier weer heel anders dan alle andere plaatsen die ik tot dusver had bezocht. Ja, het was hier ook toeristisch, maar bij lange na niet zo commercieel als andere plekken. Byron Bay was veel ouderwetser, klassieker en authentieker en dat werd weerspiegeld in de winkeltjes, die maar heel weinig met bekende ketens en merken te maken hadden en een uniekere collectie hadden. Er waren uiteraard kledingzaakjes, souvernirzaakjes en zaakjes met allerlei prullaria. Het hele plaatsje straalde een hele relaxte vibe uit; het was een typische chill-out-plek. En dat trok op zijn beurt weer een heel ander publiek aan: dit was een overduidelijk populaire plek voor hippies. Vrolijk beschilderde hippiebusjes stonden op verschillende plekken geparkeerd (alhoewel ik ze eerder deze reis ook al wel had gezien) en de bijbehorende reizigers waren er meestal niet ver van te bekennen. Soms zag je ze zelfs tukken in de bijrijderstoel of achterin het busje. Sommige van hen zagen er ook echt uit als hippies, wat te zien was aan hun kleding of haar (o.a. dreadlocks). Groepjes hippies zaten bij elkaar met een gitaar, anderen maakten ergens anders muziek, weer een ander stond alleen rond te dansen met een koptelefoon op en anderen waren gewoon aan het chillen bij het strand. Een winkeltje was zelfs toegewijd aan hippies door alleen maar spullen te verkopen die alle kleuren van de regenboog bevatten, evenals het peace-teken.

Het strand van Byron Bay was behoorlijk uitgestrekt, maar was op dit moment niet echt afgeladen van de mensen. Dat kwam vast door de stevige wind die er stond en de zon die vaker achter de wolken leek te zitten dan ernaast. Op het strand waren enkele mensen spontaan gaan salsadansen aangezien er iemand was die salsamuziek had opgezet. In het water waren aardig wat mensen aan het kitesurfen en enkele anderen deden mee aan een traditionele surfles. Ondanks dat het hier een echte plek was om te relaxen, had ik op een gegeven moment eigenlijk niets meer te doen. Op tijd ging ik dus maar naar een restaurantje om te eten en te drinken -blikjes zijn hier met 375 ml overigens groter dan bij ons-, om vervolgens ergens anders nog zelf een toetje in elkaar te fransen. Je kon in een bakje ‘frozen yogurt’ van een bepaale smaak in gieten en er daarna allerlei fruit, chocolade of snoepjes overheen te gooien. Je betaalde naar gelang het gewicht, maar zou het gratis meekrijgen als je het gewicht goed wist te raden. Dat laatste viel echter nog niet mee. Toen het zover was liep ik terug naar het minibusje, waar de andere vier personen ook niet veel later arriveerden. Door het donker reden we terug naar Surfers Paradise. Hier had ik een rustige avond, waarop ik onder andere m’n tas pakte voor m’n vlucht van morgen. Het einde van m’n reis begint langzaam in het zicht te komen nu Sydney voor de deur staat. Maar ook daar zal het vast erg leuk gaan worden!

Fraser Island

Dag 14: Heel veel zand

Donderdag 29 oktober 2015

De wekker ging al heel erg vroeg, want ik werd om 06:45 uur verwacht bij een zekere bushalte bij het Roma Street Station. Toen ik hier aan kwam, stond er een 4WD landcruiser klaar, met daarnaast chauffeur en gids Adrian. Twee dagen lang zou ik naar ‘s werelds grootste zandeiland gaan, Fraser Island. Het is een eiland een klein stukje van de kust af, ligt zo’n drie uur ten noorden van Brisbane en heeft een afmeting van ongeveer 100 bij 20 km. Het hele eiland bestaat alleen maar uit zand (in plaats van een rotsondergrond), maar bevat wel een groot tropisch regenwoud. Twee Duitse meiden hadden zich ook aangesloten bij de tweedaagse tour. Een Engels koppel had zich aangemeld voor de tour van 1 dag, maar deze was geannuleerd. Ondanks meerdere pogingen om hen te bereiken, was dit bij hen niet bekend. Ze konden voor dezelfde prijs mee met de tweedaagse tour. Ze twijfelden even, aangezien ze niet heel veel spullen hadden meegenomen, maar besloten om alsnog te mee te gaan. Zodoende zaten we iets later met z’n zessen in de landcruiser. Veel jonge backpackers gaan naar Fraser Island met een zogenaamde tag-along-tour, waarbij er niet echt een gids is, maar je wel met een 4WD mee kunt reizen naar het eiland en je dingen kon doen. Wij hadden echter een leuk programma voor deze twee dagen, en het mooie was dat we allemaal in de leeftijdscategorie 28-31 zaten, waardoor alles prima met elkaar klikte. Tijdens de drie uur die volgde konden we prima met elkaar kennismaken, en stopten we zo nu en dan voor een ontbijt, of een bezoek aan het toilet of winkeltjes om inkopen te doen voor op het eiland. We reden langs bordjes die reclame maakten voor de Australia Zoo (die van krokodillenlegende Steve Irwin), een gebied dat rook naar toast, en de plaatsjes Noosa Heads en Rainbow Beach. Op een gegeven moment reden we een strand op dat uitmondde in de zee. Aan de overkant van het water zagen we Fraser Island liggen. Nee, het was niet mogelijk om door het water te rijden, maar wel ging er een ferry heen en weer die ons in korte tijd naar de overkant wist te brengen. Op de vroege ochtend was het grauw en bewolkt in Brisbane en onderweg zijn we door behoorlijke regenbuien gereden. De Sunshine Coast, het hele gebied hier tot aan Brisbane, wist z’n naam nog niet echt waar te maken. Ook hier op Fraser Island zat het weer niet echt mee; het was nu wel droog, maar het leek erop alsof het op elk moment weer zou kunnen regenen.

Op Fraser Island zagen we een strand met daarachter duinen en het regenwoud. Vanwege het weer zag het er niet heel tropisch uit, maar we konden ons voorstellen dat het hier prachtig zou zijn met een zonnetje. Op bordjes langs de weg stonden diverse plaatsen aangegeven met de afstand ernaartoe. Bij het woord ‘weg’  moet je overigens niet te groots denken, want we begonnen op een redelijke weg van stenen door de jungle heen. Deze hield een stuk verder bij het strand plotseling op en het was de bedoeling om de rest van de tocht over het zand te vervolgen. Het was maar goed dat we een 4WD landcruiser hadden, want anders kwam je hier echt niet doorheen. Afhankelijk van of het eb of vloed was, was het iets makkelijker of moeilijker om hier te rijden, maar uiteindelijk wilde je zo dicht bij het water blijven. Tot aan de horizon zagen we het strand doorlopen en onderweg passeerden we meerdere jeeps. Vanwege dit verkeer was dit strand niet echt geschikt voor toeristen, maar ook door de woeste golven en de gevaarlijke stromingen in zee (die hier altijd zijn, en niet alleen met dit slechte weer), werd het afgeraden om hier te gaan zwemmen. Na een race over het strand (alhoewel er wel degelijk snelheidslimieten waren) sloegen we af naar onze rustige camping (tag-along-mensen zaten elders). Een afgebakend heuvelachtig terrein met gras zou onze verblijfplaats zijn deze avond en nacht. Overal op de camping stonden sprinklers aan om het gras mooi te houden. De reisorganisatie had z’n eigen stuk terrein met een grote overdekte tent met tafels en stoelen, een koelkast, een barbecue en toebehoren. Het was niet heel speciaal, maar goed genoeg. Aangezien we met een kleine groep waren, konden we vrij kiezen in welke tent we wilden slapen. We konden een matje en een matras in de tent leggen, maar niet voordat we deze volledig hadden gecontroleerd op gaten en insecten. Op dit eiland leven namelijk extreem giftige spinnen en slangen en die lieten zich niet tegenhouden door een hek! Het hek was er echter wel om de dingo’s buiten de deur te houden. Fraser Island is een van de weinige plekken op aarde waar veel dingo’s in het wild wonen. Dingo’s zijn wilde honden met een goudbruine vacht, zijn niet extreem groot, en zijn hier met geluk met puppy’s te spotten. Dingo’s kennen we ook wel van Disney’s Goofy. We hoopten er in ieder geval een te spotten deze twee dagen.

Na een lunch in het kamp gingen we met de landcruiser op pad; we reden een stuk over het strand en stopten uiteindelijk bij het begin van een wandelpad van een paar kilometer door de jungle. Adrian bleef achter en gaf ons de gelegenheid om het pad te volgen en uiteindelijk om te keren. Het regenwoud stond vol met grote bomen en planten; regenwater van de bladeren druppelde zo nu en dan naar beneden. Aan het eind van het pad kwamen we bij een duinachtig gebied met grote zandheuvels. Hierachter was een meertje te vinden. Dit was ook moment dat het harder begon te waaien en te miezeren; heel aangenaam was het hier op dat moment dus niet. Een leuk contrast bij het meertje was dat sommige toeristen met hun zwemkleding het water in waren gedoken en anderen met poncho’s naar hen zaten te kijken. Wij deden slechts aan pootjebaden. Terug bij Adrian was het weer droog en reden we een stukje verder naar de Eli Creek, een mooi stroompje water dat begon in de jungle en uitkwam bij het strand. We liepen een stukje langs het beekje alvorens terug te keren naar de landcruiser. Nog steeds bleven we op de uitkijk naar dingo’s, maar we zagen niets. Bij het enige toeristenwinkeltje van het eiland, gelegen vlak naast het enige resort, de enige bakkerij en de enige bar, verkochten ze allerlei souvenirs van dingo’s, maar het leek mij niet heel passend om iets te kopen als ik ze niet zou zien. Wel werd je overal met bordjes gewaarschuwd om geen eten bij te dragen en geen afval weg te gooien. Tevens hadden we een uitleg gekregen om nooit alleen op pad te gaan,  bij elkaar te blijven als we dingo’s zouden tegenkomen en vooral niet weg te rennen als dat het geval zou zijn. We reden nog een stuk verder en kwamen uit bij een scheepswrak dat midden op het strand lag. Dit wrak was ook al behoorlijk oud en was gedeeltelijk begraven onder het zand. Het was interessant om rond het roestige geraamte van het schip te lopen. Kleine schelpjes zaten vast aan de zijkanten en hier en daar spotten we een krabbetje. Een stuk verder troffen we het skelet van een baby-walvis aan, dat er ook erg apart uitzag! Na een zekere gekleurde rotsformatie keerden we om en reden we terug naar de camping. Omdat het weer niet echt meezat hadden we alles iets sneller gedaan dan gebruikelijk, waardoor we al relatief vroeg weer in het kamp zaten.

We besloten om maar alvast rustig het avondmaal te bereiden. We verdeelden onderling de taken en enige tijd later zaten we aan tafel te genieten van een lekkere hamburger met salade, een paar worstjes en knoflookbrood. Er hing een gezellige sfeer in de groep en we wisten elkaar wel aan de praat te houden. Het bleef grotendeels droog in de avond, waardoor we de rest van de tijd rond een kampvuur konden zitten. We kletsten met elkaar en begonnen op een gegeven moment aan een vage quiz, waarbij als je niet de juiste antwoorden wist te geven, je de pineut was en achteraf een weetbrix moest eten en een lepel vegemite. De vragen hadden we allemaal zo lastig gemaakt dat uiteindelijk iedereen hieraan moest geloven. Weetbrix is een gortdroge cracker en was op zich nog wel te eten, maar het eten van vegemite was voor ons allen –behalve Adrian- een ware hel. Vegemite is een soort van marmelade om op je brood te smeren, en dit was typisch zo’n product waar je van hield, of totaal verafschuwde. En zo’n beetje elke persoon buiten Australie valt in deze laatste categorie. Wat is dat spul ontiegelijk smerig! We wisten onze hamburgers nog maar net binnen te houden! De marshmellows en het bier bij het kampvuur waren een stuk beter te behappen. Het was een gezellige avond, waarbij we helaas geen sterren meer konden spotten. Wel bleef het hilarisch hoe de Duitse meiden af en toe opsprongen omdat ze dachten dat er een spinnetje over hun voeten liep. Gedurende de dag was dat ook al vaker het geval, alhoewel het soms ook een krabbetje of mier betrof. Uiteindelijk was het toch echt tijd om het vuur te doven en de tent in te duiken, want in de morgen moesten we alweer vroeg op.

Dag 15: Rood, wit, blauw en groen

Vrijdag 30 oktober 2015

Een nachtje in een tent was een welkome afwiseling op de verschillende stapelbedden die ik de afgeloipen tijd heb gehad in de hostels. Al vroeg ontwaakten we; niet zozeer door het geluid van de vogeltjes, maar door onze wekkers. We hadden allemaal niet heel veel trek in het eenvoudige brood dat hier in de koelkast lag (in combinatie met de jam en vegemite), dus trokken we er om 7 uur op uit om naar de bakkerij een stukje verderop te rijden, dat naast een luxe resort lag, tevens het enige hier op het eiland. De kwaliteit was prima hier, aangezien ze alles zelf maakten en niet afhankelijk waren van leveringen van het vasteland. Het was nog steeds bewolkt, maar het leek erop alsof het nog wel op zou klaren en beter zou worden.  Deze ochtend begonnen we met een bezoek aan Central Station. Om dit te bereiken moesten we echter eerst door het regenwoud heen, over een pad met heel veel hobbels. Het was een zeer hobbelige rit en de 4WD was echt keihard nodig om hier doorheen te komen. Achterin de wagen sprongen we op en neer, en haalden we onze beste paardrijvaardigheden naar boven om nog enigszins stabiel te blijven. Het was wel een erg lachtwekkende rit op deze manier. Central Station had niets met treinen te maken, maar was een oud kamp met enkele hutten, waar men vroeger woonde, werkte en naar school ging. Het lag midden in het regenwoud en we kregen na een korte uitleg van Adrian de gelegenheid om een stukje te lopen langs een helder ondiep beekje. We liepen langs bomen waarvandaan het leger z’n camouflagekleuren vandaan had gehaald. Adrian had ons van tevoren gewaarschuwd over het pad; onder geen beding zouden we van het pad moeten afwijiken, aangezien hier een van de meest giftige slangen en spinnen woonden en je daar zeker niet door gebeten wilde worden. En hulptroepen zou je niet op tijd kunnen bereiken.  Dat was een fijne gedachte tijdens onze wandeling, en we liepen vlot door. We keken om ons heen, naar het beekje, openingen in het zand en naar de takken aan de bomen. We zagen niets. Alles leek goed te gaan, maar op het gegeven moment sloeg het noodlot toe: ik werd gebeten.

Een fel licht scheen in m’n ogen. Het was heel erg fel en ik kneep m’n ogen toe om te wennen aan het licht. Ik hoorde het suizen van de wind; heel zachtjes langs m’n oren. Ik hoorde het gekabbel van water, water dat aan leek te spoelen aan een strand. Ik liet m’n ogen aan het licht wennen; ik zag een strand. Het zand was parelwit, het glinsterde. Helderblauw water golfde over het zand heen. Groene bomen wuifden zachtjes heen en weer door de wind. Vrouwen in bikini’s dartelden langs me heen. Dit zag er mooi uit; het was een fijne plek; het leek alsof ik in het paradijs was. Ik voelde wat jeuk  aan m’n voet, bukte een beetje en probeerde de kriebel weg te halen met m’n vinger. Bloed. Ik deed m’n sandaal uit en zag tussen m’n tenen een bloedzuiger zitten. Rustig zat hij van m’n bloed te genieten. Ik riep Adrian erbij, waarna hij met z’n aansteker het beestje liet schrikken; het liet los en hij kon hem van m’n voet weghalen. Een klein bloedend wondje bleef achter. Ik stapte Lake McKenzie in om de wond schoon te spoelen en groef m’n voet vervolgens even in het zand om het bloed te laten stoppen. Het viel allemaal reuze mee en was binnen een half uur weer helemaal OK. We waren met de landcruiser naar het grootste meer van het eiland gereden om hier enige tijd te vertoeven. Geen idee waar de bloedzuiger om m’n voet was gekropen, maar pas hier viel hij me op. Ik zette m’n zonnebril op want het zonnetje was ook al heerlijk doorgebroken en het leek erop alsof de rest van de dag prachtig zou worden. Eindelijk zou de Sunshine Coast z’n naam waarmaken. Een kleine twee uur brachten we door bij het meer, terwijl ook vele andere toeristen aanwezig waren om in het water te zwemmen of op het strand te zonnen.

Op een gegeven moment was het tijd om te gaan, en konden we beginnen aan de lange reis terug naar Brisbane. Via het enorm hobbelige pad reden we terug naar het strand. Onderweg keken we nog wel even naar de bordjes die langs sommige bomen stonden, aangezien hun namen erop stonden vermeld. Niet heel spannend eigenlijk. De hele tijd bleven we ook op de uitkijk voor dingo’s, maar hoe goed we ook keken, we konden ze niet vinden. Toen we weer terug waren op het strand en daar weer een hele tijd overheen raceten, waren ze helaas ook in geen velden of wegen te bekennen. Het was jammer dat deze ervaring niet voor ons was weggelegd. De route over het zand was een stuk aangenamer vandaag, omdat het zonnetje scheen en het uitzicht een stuk beter was. Toch reden we voornamelijk aan een stuk door. Op 1 plekje stopten we even, omdat Adrian ons een ‘blue bottle’ wilde laten zien. Uit het zand raapte hij een klein blauw flinterdun ballonnetje op, dat helemaal was opgeblazen en op knappen stond. Er zat een korte tentakel aan. Het bleek een soort kwal te zijn die hier was aangespoeld, maar ondertussen al was overleden. We reden verder en sloegen af door de jungle om weer aan te komen bij de ferry. We verlieten het grootste zandeiland ter wereld en zetten koers naar het grootste eiland ter wereld. Een paar meiden van tag-along-tours dachten bij de overtocht een dolfijn te zien, maar volgens mij was het gewoon een golf. Aangekomen op het vasteland was het niet ver rijden naar een zaakje waar we een lunch namen van fish and chips. De rit die daarna volgde was lang, maar we waren erg blij dat het een erg vloeiende rit was over asfalt; geen gehobbel meer dus. Het bleef gezellig in de auto met deze groep en onderweg speelden we zelfs spelletjes zoals het roepen van ‘beetlejuice’ wanneer je een gele auto zag. Om 17 uur arriveerden we Brisbane, waar we afscheid van elkaar namen. De twee dagen Fraser Island zaten erop. Het was een vermakelijke trip, alhoewel deze twee dagen wel voldoende waren; een eventuele derde dag zou denk ik wat eentonig worden. In Brisbane hield ik er een rustige avond op na, alhoewel ik nog wel de stad in ben geweest om te eten. Het was een drukke bedoeling hier op deze vrijdagavond. Daarnaast was er een grote receptie gaande voor het gemeentehuis. Alles zag er ‘s avonds wel sfeervoller uit en ondanks dat ik het idee had dat Melbourne over het algemeen een interessantere stad was, zag het echte centrum van Brisbane er daarentegen weer leuker uit. Ik keek alvast uit naar Sydney. Maar voordat het zover is, maak ik eerst nog een tussenstop in Surfers Paradise aan de Gold Coast.

Brisbane

Dag 13: Bewolkt Brisbane

Woensdag 28 oktober 2015

Ik heb prima kunnen slapen ondanks de herrie op de veranda van een paar bungalows verderop. Enkele gasten hadden de muziek hard aan staan en zongen luidkeels mee, ook met Justin Bieber; het was duidelijk dat ik met een leeftijd van 29 al tot een hele andere generatie behoorde. De huidige generatie backpackers lijkt tussen de 18 en 24 jaar, trekt zich van anderen weinig aan, is 100% afhankelijk van wifi en smartphones en maakt foto’s met een telefoon of een GoPro. Afijn, iets voor negenen werd ik opgehaald door een bus die vervolgens nog op inefficiente wijze enkele rondjes door Airlie Beach reed, om vervolgens een aardig eind langs allerlei suikerrietplantages naar Proserpine Airport te rijden. Met zo weinig bijzonders onderweg vroeg ik me af waarom het vliegveld alsnog 45 minuten rijden was. Slechts een keer eerder had ik een vliegveld meegemaakt dat net zo klein was als deze, alhoewel die van Gunung Mulu National Park op Maleisisch Borneo nog net ietsje primitiever was. Een klein vliegveld, met slechts een paar pendelvluchten per dag –na mijn vlucht kon het grondpersoneel een hele lange siesta houden- had echter wel het voordeel dat alles lekker vlot verliep. Vroeg in de middag kwam ik aan in Brisbane, een grote stad op ongeveer de helft van de nood-zuid-route langs de oostkust. Nadat ik herenigd was met m’n rugtas –iets dat altijd weer een spannend moment is, aangezien m’n bagage in het verleden twee keer eerder was zoekgeraakt-, liep ik naar buiten, richting de AirTrain. In tegenstelling tot het zonnige Airlie Beach was het weer hier compleet anders. Het was hartstikke grauw en bewolkt, vele malen frisser en het kwam met bakken uit de hemel vallen. Gelukkig stond ik op dat moment droog op het station, maar ik vreesde voor het ergste voor de rest van de middag, m’n enige middag in deze stad. Het was de eerste keer dat ik in de trein zat in Australie –zo ontzettend veel treinroutes zijn er niet-, maar er was niet heel veel speciaals aan. Zo’n twintig minuten later kwamen we aan in het hartje van de stad, en stapte ik uit bij Roma Street Station. Gelukkig was het opgehouden met regenen, zodat ik zonder nat te worden op zoek kon gaan naar m’n hostel. Het hostel zat in een klassiek en authentiek gebouw in een straat met een helling. Aan de buitenkant had je een houten veranda en houten balkons. Het zag er ontzettend sfeervol uit. Ik zou hier 1 nachtje blijven, en dan overmorgen nog eens 1 nachtje. Ik dumpte m’n spullen en liep weer naar buiten voor een middagje sightseeing.

Ik was uiteindelijk van mening dat ik aan deze ene middag meer dan genoeg had, want ondanks dat Brisbane een aardige stad is, vond ik het allemaal niet heel erg speciaal. Toch had het zeker wel z’n charme, vooral bij het begin, toen ik, na het oversteken van enkele grote drukke straten en een net zo’n drukke brug over de rivier, uitkwam bij de South Bank Parklands. Brisbane wordt doorkruist door een brede rivier en aan de zuidzijde hiervan bevindt zich dit ‘park’. Voor een behoorlijke afstand loopt dit park langs de rivier, met een voet- en fietspad direct langs het water, voorzien van bomen en bankjes. Een opvallende hoeveelheid mensen was hier bezig met joggen. M’n tocht begon bij de Gallery of Modern Art, maar om een of andere reden waren de tentoonstellingen deze middag al gesloten, waardoor ik hier niet naar binnen ging. Het nationale museum en een ander kunstmuseum vond ik niet heel interessant klinken, waardoor ik verder liep. Ik passeerde een concertgebouw, een Japanse tuin en een groot reuzenrad waarvandaan je een mooi uitzicht over de stad zou moeten hebben. Vanaf het voetpad vond ik dat ik echter al een prima uitzicht had over het centrale zakendistrict met z’n hoge gebouwen aan de overkant van het water. Een stukje verder liep ik langs een openbaar zwembad, in de vorm van de lagoons zoals in Cairns en Airlie Beach. Vanwege het weer was het nu niet heel erg druk, maar ik kan me voorstellen dat het hier op zonnige weekenddagen barstensvol zit met gasten. Mooie bomen stonden rondom de lagune. Langs allerlei bomen en bloemetjes kwam ik uiteindelijk bij het maritieme museum uit, waar je twee schepen in de rederij zag liggen. Ik ging hier niet naar binnen, maar verliet hier wel het sfeervolle South Bank Parklands om via een brug het water over te steken. Dit leidde me naar de QUT, de Queensland University of Technology, waar ik een beetje kriskras door de campus ben gelopen om bij het centrum uit te komen. Het was fijn om weer eens meer Ozzies dan buitenlandse backpackers tegen te komen. Maar het waren er wel erg veel! Zowel op straat als op de stoep was het behoorlijk druk voor zo’n woensdagmiddag. Alle winkels en eettentjes hoefden zodoende in ieder geval niet te klagen. Ik liep door verschillende straten van het moderne centrum heen, waarbij alle straatnamen leken te zijn afgeleid van allerlei personen uit het Britse koningshuis, maar dan van een tijdje terug, zoals George St, Edward St, William St en Elizabeth St. De Queen Street Mall –dat eigenlijk geen echte mall was, maar een drukke winkelstraat- bestond uit allerlei grote bekende zaken, afgewisseld door wat kleinere zaakjes en toeristenwinkeltjes. Eten en drinken was er in overvloed. Ik liep door de verschillende straatjes, bekeek het een en ander, pauzeerde hier en daar en passeerde op een gegeven moment het klassieke gemeentehuis. Als je in Brisbane zou wonen, dan kon je hier in de binnenstad prima terecht voor al je spullen. Voor de toerist was het leuk om weer even door een grote stad te lopen, maar heel bijzonder was het allemaal niet echt, ondanks het prima sfeertje dat er hing. Bij een Japans tentje hadden ze lekkere bento boxen als avondmaal, dus nam ik hier plaats. Door het donker liep ik uiteindelijk weer terug naar m’n hostel, waar ik uit m’n grote rugtas alleen de spullen haalde die ik de komende twee dagen nodig zal gaan hebben. Vervolgens kon de rugtas in de opslag worden gegooid. Overmorgen zal ik hier weer terugkeren; morgen is het echter eerst tijd voor een campingtrip!