Uluru, Kata Tjuta & Kings Canyon

Dag 21: De grote monoliet

Donderdag 5 november 2015

Met de trein reed ik in de ochtend naar het vliegveld van Sydney, waar ik na het inchecken helaas moest horen dat ook deze vlucht van Jetstar vertraging had. In eerste instantie stond er een vertraging van 50 minuten vermeld, maar dat werd uiteindelijk maar liefst 2 uur, vanwege erg slechte weersomstandigheden tussen Melbourne en Sydney, waar het vliegtuig vandaan kwam.. Daar was ik uiteraard helemaal niet blij mee; niet alleen maar zozeer omdat ik nog vele malen langer moest wachten op het vliegveld, maar omdat dat ook in de weg zat met de pickup die ik zou hebben op m’n bestemming. Gelukkig was er wifi op het vliegveld, waardoor ik de tour operator kon waarschuwen. Vandaag, morgen en overmorgen zou ik namelijk m’n reis door Australie afsluiten in het hart van het land. Ik had een driedaagse campingtour geboekt door de Australische outback, waarbij we op dag 1 zouden beginnen bij Uluru, de tweede dag naar Kata Tjuta zouden gaan, en op dag 3 eerst naar Kings Canyon zouden gaan, om vervolgens de tour af te ronden in Alice Springs, zo’n beetje het enige stukje leven in de outback. Tijdens m’n vlucht werd heel goed duidelijk hoe groot en leeg het binnenland van Australie was. Toen we Sydney eenmaal hadden verlaten, vlogen we in de 3,5 uur die volgden alleen maar over een grote dorre vlakte van geel/rood/bruin zand en rots, met hier en daar wat struikjes, bomen en enkele rotsformaties. Zo nu en dan kon je opgedroogde riviertjes zien. Het grootste deel van het land zag er zo uit, vandaar dat de meeste interessante plekken van Australie zich aan de groenere oostkust bevonden. Op een gegeven moment zette het vliegtuig z’n daling in. Vanuit de raampjes zag ik nog steeds alleen maar leegte, gecombineerd met diverse brandjes op verschillende plekken. Het bleek dat de bliksem hier twee dagen geleden was ingeslagen en meerdere bomen en struiken in de vlam waren gezet. Vanwege de enorme droogte kon het vuur makkelijk om zich heen slaan, en brandde daardoor zelfs nu nog. Het vliegtuig maakte een landing in the middle of nowhere, op het vliegveld van Uluru.

Wie denkt aan Australie, denkt al snel aan die grote roodoranje rots die in het landschap vanuit het niets opdoemt. Dit is Uluru, een heilige berg voor de oorspronkelijke bewoners van Australie, nog voordat de staat Northern Territories hier werd gesticht. De Aboriginals woonden hier vroeger in dit gebied, leefden in de barre omstandigheden vanwege de enorme hitte en joegen hier op kangoeroes om van te eten. Tegenwoordig leven er nog wel degelijk Aboriginals, maar de aantallen zijn vele malen lager dan in het verleden. Deze mensen leven nog steeds volgens de oude tradities, zijn vele malen donkerder van huidskleur, voeren nog steeds rituelen uit, maar worden nog steeds niet 100% geaccepteerd door de moderne Australiers. Toen ik uit het vliegtuig stapte op dit hele kleine vliegveldje (een enkele landingsbaan en een kleine terminal), was het klimaat even wennen. In plaats van regen, kou en wind was het hier ontzettend warm. Het was hier anderhalf uur vroeger dan in Sydney en het was nu 13.30 uur, midden op de dag. De hitte van meer dan 35 graden paste echter wel helemaal bij deze woestijn, evenals de helderblauwe lucht waar geen wolkje te bekennen was. Om me heen zag ik alleen maar leegte, op Uluru na, de uitgestrekte rots die een erg opvallende verschijning was in dit verder vlakke landschap. Ik werd in de terminal opgewacht door gids Ben en het bleek dat er nog twee Fransen aan boord waren die ook mee zouden doen met de tour. In een touringbus met aanhanger (waar de bagage in kon en waarboven allerlei slaapspullen lagen) begonnen we aan een rit van zo’n 20 km naar het bezoekerscentrum. Hier stonden 16 andere personen op ons te wachten, die allemaal vroeg in de ochtend vanuit het plaatsje Alice Springs meer dan 500 kilometer deze kant op waren komen rijden. Het was een erg leuke en gezellige groep mensen, waarvan de meesten tussen de 20 en 30 jaar waren, maar er ook drie uitschieters tussen zaten van over de 50. We hadden –hoe kan het ook anders- meerdere Duitsers in de groep, evenals een drietal Fransen, een andere Nederlander, twee Amerikanen, twee Spanjaarden, een Koreaan, een Engelse en zelfs twee Australiers, allemaal min of meer gelijk verdeeld in geslacht. Vanwege de vertraging zetten we er behoorlijk wat vaart achter de rest van de middag, maar niets heeft echter overhaast aangevoeld. De sfeer die er in de bus hing was goed, vrolijke en heel toepasselijke country/rock-muziek stond aan en de ramen stonden open voor wat wind. Dat laatste was zeker nodig, want de warmte was anders niet vol te houden.

We reden meteen door naar Uluru, om daar te beginnen aan de eerste van onze drie hikes deze tour. Uluru is een heilige berg, waardoor de Aboriginals met klem verzoeken om deze niet te beklimmen. Toch heeft de Australische overheid nog steeds niet de toegang tot de top definitief geblokkeerd, waardoor jaarlijks toch nog wat toeristen naar boven klimmen over een heel smal, steil en gevaarlijk pad. Dat kon nu echter niet, aangezien het pad gesloten was vanwege de extreme hitte. Maar gelukkig waren wij sowieso niet van plan om tegen alle tradities in te gaan. In plaats daarvan zouden we een stuk van de zogenaamde ‘base walk’  gaan doen, waarbij je rond de rots kon lopen. Helemaal rondlopen was vanwege de hitte nu ook niet toegestaan, maar de helft was nu wel toegankelijk. De volledige wandeling was meer dan 10 kilometer, voor ons was het dus slechts 5 kilometer. Met vele flessen water, een pet op en een zonnebril op gingen we op pad. Een paar liter water bij je hebben was streng aan te bevelen (en 3 liter was eigenlijk verplicht), omdat de hitte van 38 graden je ontzettend snel zou uitdrogen. Ben zou ons met de wagen halverwege opwachten, waardoor wij op ons eigen gemak konden lopen. Onderweg leerde ik enkele personen van de groep al beter kennen. Van dichtbij zag Uluru er anders uit dan van veraf. De roodoranje rotswand was behoorlijk vlak, met hier en daar opvallende gaten. Het zag er indrukwekkend uit. Langs het pad stonden enkele bomen en struikjes, maar in de verte zagen we verder niets. Halverwege onze route, en bij het einde, vertelde Ben ons over deze grote monoliet van 348 meter hoog en 3,6 kilometer lang. Wat we echter niet konden zien was dat de monoliet ook onder de grond nog een heel stuk dieper ging. Hij vertelde hoe de rots rood zand was dat in de loop der miljoenen jaren helemaal was samengeperst. Hij ging verder over de geologie en begon vervolgens over het leven van de Aboriginals, die hier vroeger verscholen in enkele grotten. Met speren jaagden ze op kangoeroes en in de grotten scholen ze voor de hitte. Bomen gebruikten ze als belangrijke bron van water en andere hulpmiddelen. In de grotten konden we zelfs nu nog enkele wandtekeningen van de Aboriginals zien, dat hun manier van communiceren was. De hele beschaving hield alles behoorlijk mysterieus en buitenstaanders weten er eigenlijk maar weinig van. Ook de kennis van Ben was beperkt (ondanks de hoeveelheid die hij wel wist te vertellen), en er zat een behoorlijk complex begrip achter deze cultuur, die slechts enkele personen te horen krijgen. Ben wist alles wel op een erg leuke en enthousiaste wijze aan ons over te dragen, terwijl we allemaal aan het puffen waren en zweet langs onze lichamen voelden druppelen. Toch viel de irritatie van de hitte in het niets vergeleken met de irritatie die we ondervonden van vliegen. Honderden vliegen vlogen voortdurend om ons heen en leken voornamelijk geinteresseerd te zijn in onze ogen, neuzen en monden, omdat deze vochtiger waren dan de rest van onze lichamen. Waar we ook heen gingen, ze bleven ons achtervolgen. Gedurende de hele hike bleven we dus ook maar om ons heen meppen. Het was geen gezicht. Een paar personen hadden bij het bezoekerscentrum al een vliegennet gekocht voor over hun hoofd en het was ons duidelijk dat wij er ook een moesten hebben. Voor nu bleven we nog maar om ons heen slaan.

Na de wandeling stapten we allemaal weer de bus in en reden we (nog steeds met de aanhanger met alle bagage) met de muziek hard aan enkele kilometers weg van Uluru. We kwamen na een tijdje uit bij een parkeerplek waar zich wat later nog vele andere bussen van tourorganisaties verzamelden. Wij waren op tijd en konden nog een tafel voor onszelf claimen. Deze was wel erg handig, want we zouden hier gaan dineren. Terwijl wij allemaal de klassieke foto’s van Uluru aan het maken waren en de zon langzaamaan achter ons richting de horizon zakte, haalde Ben een gasbrander en een wok uit de aanhanger, om daar een avondmaal voor ons te bereiden. De zon zakte steeds dieper weg en de kleur van Uluru bleef maar veranderen van oranje naar rood naar bruin. Het was een prachtig gezicht. We hielpen mee met Ben en plaatsten borden en bestek op tafel. De pasta- en currymaaltijd die we even later konden eten, smaakte erg goed. We genoten van het prachtige uitzicht, het lekkere eten, de koude biertjes uit de koelbox en de erg gezellige groep. Het was me nu al duidelijk dat deze tour waarschijnlijk de leukste was die ik tot dusver deze reis had gedaan. Terwijl alle andere tour operators allang verdwenen waren, deden we de afwas in enkele teiltjes, waarna we weer allemaal de bus in stapten. In het donker reden we –na een stop bij een benzinepomp waar we vliegennetten konden kopen- enkele kilometers naar het kamp waar we de avond en nacht zouden doorbrengen. Het bleek een relatief open terrein te zijn –dus zonder hekwerken om eventuele dingo’s tegen te houden-, waar we parkeerden bij een klein overdekt hutje met een tafel en banken. Er was hier gelukkig verlichting. Tot onze verbazing waren de douches en toiletten hier, ondanks de simpliciteit van deze camping, ontzettend goed, waardoor iedereen kon genieten van een heerlijke (en zelfs warme) douche; dat hadden we wel verdiend. Rond de tafel probeerden we vervolgens enkele spelletjes te verzinnen, beginnende met eentje om onze namen beter te leren kennen. Een ander spelletje bleek ook erg lachwekkend te zijn. Heel veel meer konden we eigenlijk niet verzinnen, waardoor we aan de wandel zijn gegaan naar een klein uitkijkpunt, iets verder weg van de camping zodat we geen last zouden hebben van de paar aanwezige lampen. Toen we vervolgens naar boven keken, zagen we een sterrenhemel zoals je deze niet vaak zag. De hemel was onbewolkt en duizenden sterren waren met het blote oog zichtbaar, veel meer dan thuis waar je vanwege het vele omgevingslicht nauwelijks wat kunt zien. Het deed me terugdenken aan de twee keren in Egypte en Borneo, toen ik ook zoveel sterren kon zien. Terug bij de bus was het bedtijd. Het was een echte wilde kampeertrip en tenten of een resort hoorden daar niet bij. In plaats daarvan kregen we allemaal een zogenaamde ‘swag’, een soort opgerolde slaapzak met matje in een. De onderkant hiervan was ongeveer zoals de onderkant van een tent en met ritsen kon je deze dichtmaken. Losse normale slaapzakken kon je vervolgens weer in deze swag leggen. We konden de swags buiten op het terrein neerleggen waar we maar wilden en vervolgens in de openlucht genieten van de vallende sterren om vervolgens rustig in slaap te dommelen.

Dag 22: De windstille vallei der winden

Vrijdag 6 november 2015

Vannacht was het allesbehalve koud. Ook hebben we geen bezoek gehad van dingo’s, slangen of vervelende insecten. De enige beesten die we zagen, waren de paar grote spinnen in de toiletten. Het was 04:15 uur toen Ben ons wekte. We hadden geen tijd te verliezen en moesten snel onze spullen in de bus leggen en de swags opgerold bovenop de aanhanger gooien. Terwijl het nog donker was reden we in alle vroegte naar de plek van de zonsondergang van gisteravond. De muziek was ook alweer aangezet en Ben was z’n playlist begonnen met een toepasselijk ‘Good morning’-nummer van Eminem, gevolgd door nummers zoals ‘The Land Down Under’, of hoe dat nummer ook precies heet. Het omgekeerde van gisteravond vond nu plaats. Achter Uluru begon de lucht mooi geel/oranje/blauw te kleuren. Op een gegeven moment kwamen de eerste stralen van de zon tevoorschijn achter de rots, waarna een felgele bal erbovenuit kwam steken. In de tussentijd konden we wit brood roosteren op een erg aparte campingtoaster en de toast beleggen met diverse soorten jam. Het begon langzaamaan warmer te worden, wat tevens betekende dat de vliegen ook weer tevoorschijn kwamen. Gelukkig hadden we ons nu allemaal bewapend met een vliegennet, wat aanzienlijk hielp. Niet dat ze nu niet op je afkwamen, maar ze konden je gezicht in ieder geval niet bereiken, wat een hoop gejeuk bespaarde.

De reden voor het vroege opstaan was echter niet alleen de zonsopkomst, maar ook de hike van drie uur die we wilden gaan maken. En hoe vroeger je dat deed, hoe beter dat zou zijn. Na 10 uur ‘s ochtends zou het namelijk al veel te warm zijn om actief te gaan wandelen en klimmen. Het was zeker nog wel een uur rijden naar Kata Tjuta, dat in het Engels ook wel The Olgas wordt genoemd. In de tussentijd kregen we de gelegenheid om ons nog eens goed aan elkaar voor te stellen, door voorin de bus met de microfoon onder andere te vertellen welk dier je graag zou willen zijn en wat voor superkrachten je zou willen hebben. Vervolgens mochten we met een stift onze namen op de ruiten van de bus schrijven, samen met tekeningetjes. Het was duidelijk dat Ben graag van muziek hield, want hij danste achter het stuur vrolijk mee. Aangekomen bij Kata Tjuta waren we meteen enthousiast, aangezien het er hier ook prachtig uitzag. Velen denken dat Uluru het enige is dat hier in de outback te vinden is, maar Kata Tjuta is er ook en dat was zeker een bezoek waard. Maar liefst 36 enorme rode rotsen zijn hier in een groep bij elkaar te vinden. Het uitgestrekte gebied had enkele wandelroutes, waarvan wij de langste route van 7,4 kilometer zouden doen door The Valley of the Winds. Bij aankomst waren onze verwachtingen hoog en deze bleken allemaal terecht te zijn geweest. Het bergachtige gebied was prachtig om doorheen te wandelen. Om ons heen zagen we de grote rode rotsformaties en langs het pad stonden eveneens struikjes en bomen. Het pad ging op en neer, totdat we op een zeker moment een behoorlijk stuk moesten klimmen tussen twee grote rotswanden door. Toen we achterom keken hadden we een prachtig uitzicht over de vlaktes, maar ook hier tussen de rotsen zag de vallei er mooi uit. Ben vertelde ons meer over de kangoeroes hier, de Aboriginals, de planten en bomen, en de gesteentes. Vanwege de warmte was het een zware tocht, maar over het algemeen goed te doen voor de meesten van ons. De twee personen van over de 60 jaar deden een verkorte route, want voor hen was dit net iets te veel van het goede. Wij bleven ons ook tijdens de rest van de route verwonderd kijken naar de omgeving. Tijdens de wandeling konden we onze flessen water zo nu en dan bij bijvullen bij grotere tanks. Ook hadden we altijd een tank met water in de bus staan om onze flessen bij te vullen en onze dorst te lessen. Na de hike reden we weer een stuk verder, om vanaf een afstandje Kata Tjuta te kunnen bekijken. Ook zo zag het er indrukwekkend uit.

Een groot deel van de middag bestond uit het rijden richting Kings Canyon. Over lange rechte weg, met zo nu en dan een flauwe bocht, reden we door een dor en verlaten landschap. Er was hier werkelijk niets te beleven. Terwijl de meeste personen wegdommelden op hun stoelen, hield Ben zich wakker met zijn muziek –hij had niet heel veel reactie gekregen om muziek van iemand anders op te zetten- en zwaaide hij naar elke andere wagen die langs kwam rijden. De meeste andere bestuurders zwaaiden vrolijk terug. Het was de enige manier van afwisseling op deze hele saaie wegen waar je 80, 100 of 110 mocht rijden. Gelukkig was het wel een geasfalteerde hoofdweg en daarbij ook zo’n beetje de enige snelweg die van Adelaide in het zuiden helemaal naar Darwin in het noorden reed. Alice Springs was echter nog meer dan 500 kilometer weg en later zag ik op een bordje dat Darwin nog 1500 kilometer van ons verwijderd was. Tja, ze moesten iets op de bordjes zetten, want heel veel meer was er niet. We maakten onderweg nog wel een stop om met z’n allen wraps te bereiden. Tomaten, sla en ham werden gesneden, en blikken met tonijn, mais en rode bieten werden geopend. Nog wat kaas en saus erbij en iedereen had een heerlijke lunch. Een andere stop volgde bij een enkel gebouwtje langs de weg, waar je de jackpot moest betalen voor wat te eten of een verfrissend flesje frisdrank. Toch konden velen van ons dat toch niet weerstaan, aangezien je op een gegeven moment ook wel beu werd van al dat water. Een volgende stop was ergens langs de weg waar vele uitgedroogde bomen stonden. Om te voorkomen dat eventuele brandjes het hele gebied plat zouden leggen, was het toegestaan om takken van de bomen af te breken. En die takken zouden wij in de avond dan weer heel goed kunnen gebruiken voor een kampvuur. Dus stonden we even later met z’n allen een enorme hoeveelheid hout te verzamelen, waarna alles bovenop de aanhanger werd gebonden. Alle swags werden tijdelijk maar tussen onze banken in gelegd. Volgeladen reden we naar de camping die in de buurt lag -40 km, de definitie van ‘in de buurt’ is hier totaal anders dan in Nederland- van de Kings Canyon. Aangekomen waren de douches weer erg prettig, waarna we een vuur begonnen te stoken en ons avondmaal voorbereidden. Het vuur werd gebruikt om de pannen op te leggen. Enige tijd later hadden we erg smakelijke rijst en chili con carne. Het was verbazingwekkend hoe lekker een maaltijd kan zijn met zulke primitieve middelen. ‘s Avonds bleven we enige tijd rond het kampvuur zitten, maar pakten we toch al snel onze swags erbij om opnieuw in de openlucht te gaan slapen. Het was een lange dag geweest en ook morgen zouden we weer vroeg op moeten staan.

Dag 23: De rode kloof

Zaterdag 7 november 2015

Vanwege iets meer wind was het vannacht iets frisser dan afgelopen nacht, maar heel veel last hadden we daar niet van. Vallende sterren waren er weer volop. We konden vandaag een kwartiertje langer blijven liggen dan gisteren, maar ook 04:30 is geen fijne tijd om op te staan. Snel namen we een ontbijtje en ruimden we alles op. Vervolgens stapten we weer in de bus om koers te zetten naar Kings Canyon, de misschien wel mooiste plek van de hele regio hier. Hoe bijzonder en bekend Uluru ook is, Kings Canyon was ergens nog wel indrukwekkender. Om 06:30 uur begonnen we aan een hike van 6 km die eveneens drie uur duurde, maar wel prachtig was. Deze canyon was weer een gebied met een grote rode rotspartij, waarbij je omhoog kon klimmen en dan bovenaan de rand rond zou kunnen lopen. In het midden had je dan een diepe vallei. Het moeilijkste stuk kregen we meteen aan het begin, aangezien het pad (met uitgehouwen trappen) behoorlijk lang en steil was. Maar het uitzicht dat we van bovenaf hadden was prachtig. De route die we vervolgens liepen was dat ook. We liepen over en langs rode rotsen en konden uitkijken over de kale vlaktes. We mochten niet dichtbij de randen komen, want je wilde hier echt niet naar beneden vallen. Qua omgeving had het hier erg weg van de staten Arizona en Utah in de Verenigde Staten. De rotsen en begroeiing had vele overeenkomsten. Hier en daar kwamen we een klein poeltje van water tegen. Dit bleek regenwater te zijn. In de ‘krater’ groeiden bomen en via enkele trappetjes bereikten we de Garden of Eden, met een watertje en bomen tussen alle hoge rotswanden. Opnieuw wist Ben ons van alles te vertellen over de omgeving hier. Het was een lange wandeling, en moeilijk in woorden te beschrijven, maar het zag er allemaal geweldig uit. De warmte begon ook weer toe te nemen naarmate het later werd, maar er stond veel meer wind dan gisteren, wat behoorlijk aangenaam was. Onderweg maakten we uiteraard behoorlijk wat foto’s en dronken we voldoende. Af en toe kwamen we andere reisgroepen tegen, maar qua drukte viel het nog best mee. Na de wandeling werden we beloond met stukken sinaasappel, dat er zeker goed in ging!

Qua grootse activiteiten was de tour bij deze voorbij. Het was nu zaak om Alice Springs voor het eind van de middag te bereiken. Dat betekende een behoorlijk stuk rijden. Op de ellenlange wegen werd de omvang van dit land, en de leegheid ervan, opnieuw heel erg duidelijk. We staarden voor ons uit, luisterden eindelijk naar wat andere muziek, kletsten met elkaar, vielen in slaap en stopten zo nu en dan bij een heel erg afgelegen winkeltje. Bij een zaakje konden we nog enige tijd naar kunst van de Aboriginals kijken, dat er bijzonder uitzag. Vaak hadden ze schilderingen (op een doek, boemerang, didgereedoo of stokken) met een zwarte achtergrond en vele kleurrijke stipjes, die samen een bepaald patroon kregen. Telefoonontvangst, laat staan internet, hadden we deze dagen niet, maar hier stond wel een tv waarop cricket te zien was, een andere enorm populaire sport hier in Australie. De lunch bestond weer uit wraps. Later in de middag maakten we een stop bij een kamelenboerderij, waar enkele personen eventjes wilden ervaren hoe het was om op dit hoge beest te rijden. Kamelen komen hier in Australie ook in een groot aantal voor, maar zie je over het algemeen niet zo vaak. Op de boerderij hadden ze tevens een aangelijnde dingo –heb ik er toch nog een gezien, alhoewel het eigenlijk een treurig gezicht was-, een paar kangoeroes en een emoe. Even na vijven bereikten we de bewoonde wereld. In the middle of nowhere lag hier het kleine dorpje Alice Springs. Ondanks dat het relatief klein was, was het een grote hub voor de outback, met een ziekenhuis, enkele bars en restaurantjes, tour operators en hostels. Heel veel stelde het echter ook niet zo voor. We werden allemaal gedropt bij het hostel van je keuze, waarmee de tour ten einde was gekomen. Mijn hostel bevond zich aan de oostelijke zijde van het centrum, aan de andere kant van de rivier, alhoewel deze op dit moment (net als waarschijnlijk vele andere momenten) droog stond. Het was een prima plek, alhoewel ik hier niet heel veel tijd heb doorgebracht. Om 20 uur hadden we namelijk met z’n allen afgesproken bij een bar, om de tour op een gezellige wijze af te sluiten. Het was er erg gezellig en we namen allemaal wat lekkers te eten. Voor de tweede en laatste keer bestelde ik kangoeroe. We proostten op Ben en de gezelligheid die we de afgelopen drie dagen hadden gehad. Het was met recht de leukste tour die ik deze reis had gemaakt en was daarmee een ultieme afsluiting van m’n vakantie. Een beter einde had ik me niet kunnen wensen. In de bar verscheen een dj en even later leek het erop alsof iedereen in Alice Springs hier op deze zaterdagavond was te vinden. We maakten het nog gezellig, maar toen was het toch echt tijd om afscheid te nemen van iedereen. Morgen zou ik namelijk op tijd (maar niet absurd vroeg!) op moeten staan voor m’n reis terug naar huis. Het was bijna voorbij.

Reacties

Reacties

pap

Weer heb je iets bijzonders meegemaakt en vele momenten heel leuk in het verhaal verwerkt! Ook deze super vakantie zul je nooit vergeten. Ben ontzettend blij dat ik mee mag beleven in jouw verhalen, dank je wel. Thuis zullen we je vele foto's bewonderen. Goede reis terug en tot je volgende trip!!

Mama

Indrukwekkend, om stil van te worden

Liefs van mij

Moelai

Vermoeiend en zwaar lijkt het me om met zulke hitte door de woestijn te lopen/klimmen, maar ontzettend gaaf dat je ziet waar de Aboriginals hebben gewoond. Dat zullen prachtfoto's zijn!

Teus

zo, gaaf verhaal ! en een mooie reis.
je zal nu wel weer thuis zijn en iedereen laten genieten van je verhalen en foto's. gr v mij Teus

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!